BWBR0012589
Geldig vanaf 2001-06-30
Artikel 4
Regeling impuls beroepsonderwijs voor instellingen 2001
1. De minister verleent de aanspraak op een aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 3, eerste lid, slechts indien het bevoegd gezag van de instelling uiterlijk op 14 september 2001 een verzoek indient bij de minister. Een verzoek dat na 14 september wordt ingediend wordt afgewezen.
2. In het verzoek is opgenomen:
a. de naam van de contactpersoon bij de instelling voor het project;
b. voor welke aansluitingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de subsidie wordt besteed;
c. met welke partijen, bedoeld in het derde lid onder b, wordt samengewerkt;
d. een verklaring dat de instelling voor 15 november 2001 met samenwerkingspartners kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen vaststelt die bijdragen aan het realiseren van de beoogde kwalificatiewinst, volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld;
e. een verklaring dat de instelling voor 1 februari 2002 een tussentijdse effectrapportage en voor 1 oktober 2002 een afsluitende effectrapportage aan de minister zendt; volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld;
f. een verklaring dat het bevoegd gezag de producten ter beschikking stelt aan de productenbank van de Bve Raad.
3. In de effectrapportages, bedoeld in het tweede lid onder e, wordt tenminste aangegeven:
a. voor welke aansluitingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de subsidie wordt besteed;
b. de wijze waarop met scholen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs die vmbo verzorgen in de regio, hogescholen als bedoeld in artikel 1.8 van de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die hbo verzorgen in de regio en landelijke organen en bedrijfsleven wordt samengewerkt;
c. . welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gesteld om de beoogde kwalificatiewinst te realiseren;
d. in welke mate de gestelde kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gerealiseerd om de beoogde kwalificatiewinst te realiseren en een analyse van eventuele verschillen.
4. Het project wordt voor 1 juli 2002 afgerond.
2. In het verzoek is opgenomen:
a. de naam van de contactpersoon bij de instelling voor het project;
b. voor welke aansluitingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de subsidie wordt besteed;
c. met welke partijen, bedoeld in het derde lid onder b, wordt samengewerkt;
d. een verklaring dat de instelling voor 15 november 2001 met samenwerkingspartners kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen vaststelt die bijdragen aan het realiseren van de beoogde kwalificatiewinst, volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld;
e. een verklaring dat de instelling voor 1 februari 2002 een tussentijdse effectrapportage en voor 1 oktober 2002 een afsluitende effectrapportage aan de minister zendt; volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld;
f. een verklaring dat het bevoegd gezag de producten ter beschikking stelt aan de productenbank van de Bve Raad.
3. In de effectrapportages, bedoeld in het tweede lid onder e, wordt tenminste aangegeven:
a. voor welke aansluitingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, de subsidie wordt besteed;
b. de wijze waarop met scholen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs die vmbo verzorgen in de regio, hogescholen als bedoeld in artikel 1.8 van de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die hbo verzorgen in de regio en landelijke organen en bedrijfsleven wordt samengewerkt;
c. . welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gesteld om de beoogde kwalificatiewinst te realiseren;
d. in welke mate de gestelde kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gerealiseerd om de beoogde kwalificatiewinst te realiseren en een analyse van eventuele verschillen.
4. Het project wordt voor 1 juli 2002 afgerond.