BWBR0012554
Geldig vanaf 2001-06-23
Artikel 2
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD-ECD 2001
1. De vestigingshoofden, teamleiders en medewerkers opsporing in dienst van de Rijksbelastingdienst en werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD-ECD zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. De akte van beëdiging van degene die direct voorafgaand aan zijn tewerkstelling bij de Belastingdienst/FIOD-ECD werkzaam was als buitengewoon opsporingsambtenaar, wordt voor de duur van zes maanden na een tewerkstelling bij de Belastingdienst/FIOD-ECD in één van de functies, genoemd in het eerste lid, geacht te zijn gebaseerd op deze regeling.
3. De akte van aanstelling, bedoeld in artikel 10 van het Besluit algemene rechtspositie politie, van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Politiewet 1993, wordt voor de duur van zes maanden na de tewerkstelling bij de Belastingdienst/FIOD-ECD in één van de functies, genoemd in het eerste lid, gelijkgesteld met een akte van beëdiging.
2. De akte van beëdiging van degene die direct voorafgaand aan zijn tewerkstelling bij de Belastingdienst/FIOD-ECD werkzaam was als buitengewoon opsporingsambtenaar, wordt voor de duur van zes maanden na een tewerkstelling bij de Belastingdienst/FIOD-ECD in één van de functies, genoemd in het eerste lid, geacht te zijn gebaseerd op deze regeling.
3. De akte van aanstelling, bedoeld in artikel 10 van het Besluit algemene rechtspositie politie, van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Politiewet 1993, wordt voor de duur van zes maanden na de tewerkstelling bij de Belastingdienst/FIOD-ECD in één van de functies, genoemd in het eerste lid, gelijkgesteld met een akte van beëdiging.