BWBR0012282
Geldig vanaf 2001-03-30
Artikel 5
Scholingsfaciliteitenregeling Ministerie van Justitie 2001
1. De betrokkene is verplicht tot terugbetaling van de aan hem verleende tegemoetkoming in de scholingskosten:
a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de betrokkene is te wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing;
c. bij ontslag binnen een termijn van maximaal drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de betrokkene binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de Rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.
2. De in het vorige lid bedoelde verplichting tot terugbetaling wordt beperkt:
a. in gevallen bedoeld in het eerste lid, onder a en b, tot het bedrag dat is verleend over het tijdvak van drie jaren, voorafgaande aan de datum waarop de desbetreffende omstandigheid zich heeft voorgedaan;
b. in het geval bedoeld in het eerste lid, onder c, voor elke maand die ontbreekt aan de daarin genoemde termijn, tot 1/36 gedeelte van de scholingskosten per ontbrekende maand.
a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij tussentijds afbreken van de scholing, indien dit aan eigen schuld of toedoen van de betrokkene is te wijten;
b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing;
c. bij ontslag binnen een termijn van maximaal drie jaren na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij de betrokkene binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de Rijksdienst of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op een uitkering op grond van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.
2. De in het vorige lid bedoelde verplichting tot terugbetaling wordt beperkt:
a. in gevallen bedoeld in het eerste lid, onder a en b, tot het bedrag dat is verleend over het tijdvak van drie jaren, voorafgaande aan de datum waarop de desbetreffende omstandigheid zich heeft voorgedaan;
b. in het geval bedoeld in het eerste lid, onder c, voor elke maand die ontbreekt aan de daarin genoemde termijn, tot 1/36 gedeelte van de scholingskosten per ontbrekende maand.