BWBR0012109
Geldig vanaf 2001-01-12
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Stadsbeheer, afdeling Parkeren, van de gemeente Den Haag 2000
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Wegenverkeerswet 1994;
b. de artikelen 177, 179, 180, 184, 266, 267 en 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
c. de Parkeerverordening, resp. de Algemene Plaatselijke Verordening, voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegd bestuursorgaan is aangewezen. De toepassing van de hiervoor bedoelde bevoegdheden, dient zich te beperken tot stilstaand verkeer.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Den Haag.
a. de Wegenverkeerswet 1994;
b. de artikelen 177, 179, 180, 184, 266, 267 en 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
c. de Parkeerverordening, resp. de Algemene Plaatselijke Verordening, voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegd bestuursorgaan is aangewezen. De toepassing van de hiervoor bedoelde bevoegdheden, dient zich te beperken tot stilstaand verkeer.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Den Haag.