BWBR0012090
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel IX
Wijzigingswet Pensioen- en spaarfondsenwet (recht van keuze voor ouderdomspensioen i.p.v. nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen)
1. Artikel I, onderdeel B, artikel 2b van de Pensioen- en spaarfondsenwetis uitsluitend van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf de datum van inwerkingtreding van dat artikelonderdeel van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 625), worden opgebouwd.
2. Artikel I, onderdeel C, artikel 2c van de Pensioen- en spaarfondsenwet, onderdeel J, artikel 32, zevende lid van de Pensioen- en spaarfondsenwet, onderdeel M, artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, en artikel II, artikel 12c, tweede lid, onderdeel a en b van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwenzijn uitsluitend van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf de datum van inwerkingtreding van het betreffende artikelonderdeel van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 625), worden opgebouwd.
3. Bij de toepassing van artikel 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwetis op pensioen of aanspraken op pensioen die vóór de dag van inwerkingtreding van artikel 32ba, eerste lid, onderdeel e, van de Pensioen- en spaarfondsenwetzijn opgebouwd, artikel 32a, onderdeel f, van de Pensioen- en spaarfondsenwetvan toepassing, tenzij artikel 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwetwordt toegepast in verband met een keuze als bedoeld in artikel 2bof 2c van die weten het pensioenfonds in zijn statuten of reglementen artikel 32ba, eerste lid, onderdeel d en e van de Pensioen- en spaarfondsenwetvan toepassing heeft verklaard.
4. Voorzover het bij de toepassing van het eerste en tweede lid aanspraken op pensioen betreft die, als gevolg van een premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, zijn de in het eerste en tweede lid genoemde artikelen van de Pensioen- en spaarfondsenwetuitsluitend van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na de datum van inwerkingtreding van het betreffende artikelonderdeel van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenweten enige andere wetten in verband met het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 625).
5. In afwijking van het tweede lid is artikel I, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwetvoor zover het niet betreft pensioen dat wordt berekend of mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage slechts van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf 1 januari 2005 worden opgebouwd. Dit lid is niet van toepassing op afkoop die tot de datum van inwerkingtreding van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2003 plaatsvindt.
2. Artikel I, onderdeel C, artikel 2c van de Pensioen- en spaarfondsenwet, onderdeel J, artikel 32, zevende lid van de Pensioen- en spaarfondsenwet, onderdeel M, artikel 32ba, eerste lid, onderdelen d en e, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, en artikel II, artikel 12c, tweede lid, onderdeel a en b van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwenzijn uitsluitend van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf de datum van inwerkingtreding van het betreffende artikelonderdeel van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet en enige andere wetten in verband met het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 625), worden opgebouwd.
3. Bij de toepassing van artikel 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwetis op pensioen of aanspraken op pensioen die vóór de dag van inwerkingtreding van artikel 32ba, eerste lid, onderdeel e, van de Pensioen- en spaarfondsenwetzijn opgebouwd, artikel 32a, onderdeel f, van de Pensioen- en spaarfondsenwetvan toepassing, tenzij artikel 32ba van de Pensioen- en spaarfondsenwetwordt toegepast in verband met een keuze als bedoeld in artikel 2bof 2c van die weten het pensioenfonds in zijn statuten of reglementen artikel 32ba, eerste lid, onderdeel d en e van de Pensioen- en spaarfondsenwetvan toepassing heeft verklaard.
4. Voorzover het bij de toepassing van het eerste en tweede lid aanspraken op pensioen betreft die, als gevolg van een premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, zijn de in het eerste en tweede lid genoemde artikelen van de Pensioen- en spaarfondsenwetuitsluitend van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na de datum van inwerkingtreding van het betreffende artikelonderdeel van de wet van 21 december 2000, houdende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenweten enige andere wetten in verband met het recht van keuze voor ouderdomspensioen in plaats van nabestaandenpensioen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Stb. 625).
5. In afwijking van het tweede lid is artikel I, onderdeel J, artikel 32, zevende lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwetvoor zover het niet betreft pensioen dat wordt berekend of mede wordt berekend op grond van een geldelijke bijdrage slechts van toepassing op aanspraken op pensioen die vanaf 1 januari 2005 worden opgebouwd. Dit lid is niet van toepassing op afkoop die tot de datum van inwerkingtreding van de Verzamelwet sociale verzekeringen 2003 plaatsvindt.