BWBR0012018
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 6
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2001
1. Burgemeester en wethouders dragen zorg dat de minister uiterlijk op 1 april 2001 een aanvraag heeft ontvangen om in aanmerking te komen voor subsidie.
2. Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag burgemeester en wethouders voornemens zijn in 2001 door middel van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel 4, tweede lid, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende bijlage 2.
3. Indien burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geven het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
4. Indien de aanvraag bedoeld in het eerste lid niet uiterlijk op 1 april is ontvangen door de minister, kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en het voorschot bedoeld in artikel 7, eerste lid, terugvorderen.
5. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid bedoeld in het derde lid of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Burgemeester en wethouders van gemeenten die zorgdragen dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, tijdig is ontvangen door de minister, ontvangen vóór 1 juni 2001 van de minister een beschikking tot subsidieverlening waarin de maximale subsidie voor het jaar 2001 is opgenomen.
2. Bij de aanvraag wordt aangegeven tot welk subsidiebedrag burgemeester en wethouders voornemens zijn in 2001 door middel van overeenkomsten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kinderopvangplaatsen voor alleenstaande ouders aan te gaan. Daarbij kunnen burgemeester en wethouders aangeven voor meer of minder subsidie in aanmerking te willen komen dan bij toepassing van artikel 4, tweede lid, voor die gemeente beschikbaar is. De aanvraag is ingericht volgens de bij deze regeling behorende bijlage 2.
3. Indien burgemeester en wethouders bij de aanvraag te kennen geven het maximum subsidiebedrag dat volgt uit de toepassing van artikel 4, tweede lid, niet of niet volledig te zullen aanwenden, kan de minister voor die gemeente een lagere maximale subsidie verlenen, overeenkomstig het door die gemeente aangegeven bedrag.
4. Indien de aanvraag bedoeld in het eerste lid niet uiterlijk op 1 april is ontvangen door de minister, kan de minister de subsidie ambtshalve op nihil vaststellen en het voorschot bedoeld in artikel 7, eerste lid, terugvorderen.
5. Indien de minister gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid bedoeld in het derde lid of vierde lid, kan hij de daardoor resterende subsidie toevoegen aan de gemeenten die meer subsidie hebben aangevraagd dan het maximale subsidiebedrag en voor die gemeenten een hogere maximale subsidie verlenen. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Burgemeester en wethouders van gemeenten die zorgdragen dat de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, tijdig is ontvangen door de minister, ontvangen vóór 1 juni 2001 van de minister een beschikking tot subsidieverlening waarin de maximale subsidie voor het jaar 2001 is opgenomen.