BWBR0011952
Geldig vanaf 2000-12-31
Artikel 4
Regeling Bijzondere Bijstandseenheden
1. Behoeft een politiekorps of de Koninklijke marechaussee bijstand van een bijzondere bijstandseenheid dan richt het College van procureurs-generaal, op aanvraag van de officier van justitie, een verzoek daartoe aan de Minister van Justitie. Dit verzoek gaat vergezeld van een plan van inzet.
2. De daadwerkelijke inzet van bijzondere bijstandseenheden vindt plaats na goedkeuring van het plan van inzet van deze eenheid, eenheden of onderdelen daarvan door de Minister van Justitie.
3. Het plan van inzet bevat een voorstel aangaande welke bijstandseenheid zou moeten worden ingezet. Dit voorstel wordt door de officier van justitie gemaakt op basis van de volgende criteria:
a. de mate van het te verwachten geweld;
b. de situatie van de dreiging;
c. de flexibiliteit van de eenheden.
4. Indien het plan van inzet betrekking heeft op de UIM, consulteert de Minister van Justitie de Minister van Defensie, alvorens over het plan van inzet te beslissen.
5. De Minister van Justitie stelt in overeenstemming met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie standaard inzetscenario’s vast.
6. Indien voor de inzet geen vooraf vastgesteld standaard inzetscenario voorhanden is, consulteert de Minister van Justitie zo mogelijk de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie, alvorens over het plan van inzet te beslissen.
7. De Minister van Justitie laat zich in een nationale situatie adviseren door het Beleidsteam DSI, alvorens over het plan van inzet genoemd in artikel 4, eerste lid, te beslissen.
8. De Ministers van Defensie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Algemene Zaken worden door de Minister van Justitie onverwijld in kennis gesteld van een besluit tot inzet van een bijzondere bijstandseenheid. Dit geschiedt zo mogelijk voorafgaand aan de daadwerkelijke inzet.
2. De daadwerkelijke inzet van bijzondere bijstandseenheden vindt plaats na goedkeuring van het plan van inzet van deze eenheid, eenheden of onderdelen daarvan door de Minister van Justitie.
3. Het plan van inzet bevat een voorstel aangaande welke bijstandseenheid zou moeten worden ingezet. Dit voorstel wordt door de officier van justitie gemaakt op basis van de volgende criteria:
a. de mate van het te verwachten geweld;
b. de situatie van de dreiging;
c. de flexibiliteit van de eenheden.
4. Indien het plan van inzet betrekking heeft op de UIM, consulteert de Minister van Justitie de Minister van Defensie, alvorens over het plan van inzet te beslissen.
5. De Minister van Justitie stelt in overeenstemming met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie standaard inzetscenario’s vast.
6. Indien voor de inzet geen vooraf vastgesteld standaard inzetscenario voorhanden is, consulteert de Minister van Justitie zo mogelijk de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie, alvorens over het plan van inzet te beslissen.
7. De Minister van Justitie laat zich in een nationale situatie adviseren door het Beleidsteam DSI, alvorens over het plan van inzet genoemd in artikel 4, eerste lid, te beslissen.
8. De Ministers van Defensie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Algemene Zaken worden door de Minister van Justitie onverwijld in kennis gesteld van een besluit tot inzet van een bijzondere bijstandseenheid. Dit geschiedt zo mogelijk voorafgaand aan de daadwerkelijke inzet.