BWBR0011920
Geldig vanaf 2001-01-01
Artikel 2
Vestigingsbesluit bedrijven
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. banket: gebak, bij de vervaardiging waarvan slagroom, banketbakkersroom of een dergelijke grondstof, dan wel amandelspijs, banketspijs, vruchtengelei, vers fruit of verduurzaamd fruit is gebezigd;
b. installaties voor centrale verwarming: installaties, dienende voor het verwarmen van ruimten, waarbij de warmte, welke in tot de installatie behorende toestellen wordt opgewekt of daarnaar wordt toegevoerd, geheel of voor een overwegend deel door buizen of kanalen naar elders wordt gevoerd, voor zover deze installaties geen onderdeel vormen van installaties voor luchtbehandeling;
c. installaties voor luchtbehandeling: installaties, dienende voor het verwarmen, koelen, drogen, bevochtigen en reinigen van mechanisch in beweging gebrachte lucht;
d. koelinstallatie: een samenstel van toestellen en leidingen, gevuld met een koelmedium voor het koelen tot een lagere temperatuur dan die van het koelwater of van de voor de condensator gebruikte koellucht;
e. motorvoertuigen: alle gelede en ongelede voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht op of aan het voertuig zelf aanwezig, met uitzondering van rijdende kranen, vorkheftrucks, bulldozers, skelters en met skelters gelijk te stellen voertuigen;
f. motorfietsen: motorvoertuigen op twee of drie wielen, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van meer dan 50 cm3;
g. pluimvee: kippen, kalkoenen, eenden, ganzen en duiven, voorzover zij niet als wild zijn aan te merken;
h. sterkstroominstallaties: elektrotechnische installaties met een spanning van ten minste 24 volt tussen twee polen of fasen of tussen een pool en een fase en aarde, of waarin een vermogen van ten minste 1000 watt in werking kan treden, alsmede elektrotechnische installaties met een lagere spanning of kleiner vermogen, voor zover deze zich bevinden in ruimten met verhoogd brandgevaar, met gasontploffingsgevaar of met stofontploffingsgevaar;
i. timmerwerk: het op de bouwplaats timmeren en stellen van betonbekistingen, het stellen van profielen of deur- en raamkozijnen, of het vervaardigen van vloeren of kappen, een en ander voor zover het houtwerk betreft;
j. vlees: delen van gedode paardachtigen, runderen, schapen, geiten en varkens;
k. wild: dieren die in de voor hun aard natuurlijke vrijheid leven en tot menselijk voedsel kunnen dienen.
a. banket: gebak, bij de vervaardiging waarvan slagroom, banketbakkersroom of een dergelijke grondstof, dan wel amandelspijs, banketspijs, vruchtengelei, vers fruit of verduurzaamd fruit is gebezigd;
b. installaties voor centrale verwarming: installaties, dienende voor het verwarmen van ruimten, waarbij de warmte, welke in tot de installatie behorende toestellen wordt opgewekt of daarnaar wordt toegevoerd, geheel of voor een overwegend deel door buizen of kanalen naar elders wordt gevoerd, voor zover deze installaties geen onderdeel vormen van installaties voor luchtbehandeling;
c. installaties voor luchtbehandeling: installaties, dienende voor het verwarmen, koelen, drogen, bevochtigen en reinigen van mechanisch in beweging gebrachte lucht;
d. koelinstallatie: een samenstel van toestellen en leidingen, gevuld met een koelmedium voor het koelen tot een lagere temperatuur dan die van het koelwater of van de voor de condensator gebruikte koellucht;
e. motorvoertuigen: alle gelede en ongelede voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht op of aan het voertuig zelf aanwezig, met uitzondering van rijdende kranen, vorkheftrucks, bulldozers, skelters en met skelters gelijk te stellen voertuigen;
f. motorfietsen: motorvoertuigen op twee of drie wielen, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van meer dan 50 cm3;
g. pluimvee: kippen, kalkoenen, eenden, ganzen en duiven, voorzover zij niet als wild zijn aan te merken;
h. sterkstroominstallaties: elektrotechnische installaties met een spanning van ten minste 24 volt tussen twee polen of fasen of tussen een pool en een fase en aarde, of waarin een vermogen van ten minste 1000 watt in werking kan treden, alsmede elektrotechnische installaties met een lagere spanning of kleiner vermogen, voor zover deze zich bevinden in ruimten met verhoogd brandgevaar, met gasontploffingsgevaar of met stofontploffingsgevaar;
i. timmerwerk: het op de bouwplaats timmeren en stellen van betonbekistingen, het stellen van profielen of deur- en raamkozijnen, of het vervaardigen van vloeren of kappen, een en ander voor zover het houtwerk betreft;
j. vlees: delen van gedode paardachtigen, runderen, schapen, geiten en varkens;
k. wild: dieren die in de voor hun aard natuurlijke vrijheid leven en tot menselijk voedsel kunnen dienen.