BWBR0011848
Geldig vanaf 2002-04-01
Artikel 6
Jachtbesluit
1. Het jachtexamen bevat, voorzover het de jacht met het geweer of de jacht met jachtvogels betreft, een theoretisch en een praktisch gedeelte. Het jachtexamen bevat, voorzover het de jacht met de eendenkooi betreft, een theoretisch gedeelte.
2. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met het geweer toetst op:
a. kennis van het wild, andere diersoorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en hierop gelijkende diersoorten;
b. kennis van de leefomgeving van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;
c. kennis van het beheer van het wild;
d. kennis van het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;
e. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;
f. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;
g. kennis van landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door de in onderdeel a bedoelde diersoorten, en de perioden gedurende het jaar waarin zich deze schade kan voordoen;
h. kennis van de maatregelen die genomen kunnen worden om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door de in onderdeel a bedoelde diersoorten te voorkomen;
i. kennis van het geweer, de daarbij gebezigde munitie en het gebruik van het geweer;
j. kennis van de overige middelen, bedoeld in de artikelen 50 en 72 van de wet en het gebruik van deze middelen;
k. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren en
l. kennis van hetgeen een goed jager betaamt.
3. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met jachtvogels toetst op kennis over de in het tweede lid, onderdelen a, b, c, e, g, h, j, k en l, bedoelde onderdelen.
4. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met de eendenkooi toetst op kennis over de in het tweede lid, onderdelen a, b, c, e, j, k en l, bedoelde onderdelen.
5. Het praktische gedeelte van het jachtexamen toetst op:
a. schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, indien het het doden van dieren met het geweer betreft, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar gelang van de aard van het gebruik van de munitie, en
b. bekwaamheid in de omgang met jachtvogels, indien het de jacht met jachtvogels betreft.
2. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met het geweer toetst op:
a. kennis van het wild, andere diersoorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en hierop gelijkende diersoorten;
b. kennis van de leefomgeving van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;
c. kennis van het beheer van het wild;
d. kennis van het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;
e. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;
f. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;
g. kennis van landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door de in onderdeel a bedoelde diersoorten, en de perioden gedurende het jaar waarin zich deze schade kan voordoen;
h. kennis van de maatregelen die genomen kunnen worden om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door de in onderdeel a bedoelde diersoorten te voorkomen;
i. kennis van het geweer, de daarbij gebezigde munitie en het gebruik van het geweer;
j. kennis van de overige middelen, bedoeld in de artikelen 50 en 72 van de wet en het gebruik van deze middelen;
k. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren en
l. kennis van hetgeen een goed jager betaamt.
3. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met jachtvogels toetst op kennis over de in het tweede lid, onderdelen a, b, c, e, g, h, j, k en l, bedoelde onderdelen.
4. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met de eendenkooi toetst op kennis over de in het tweede lid, onderdelen a, b, c, e, j, k en l, bedoelde onderdelen.
5. Het praktische gedeelte van het jachtexamen toetst op:
a. schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, indien het het doden van dieren met het geweer betreft, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar gelang van de aard van het gebruik van de munitie, en
b. bekwaamheid in de omgang met jachtvogels, indien het de jacht met jachtvogels betreft.