BWBR0011848
Geldig vanaf 2002-04-01
Artikel 15
Jachtbesluit
1. Het verbod om te jagen, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdelen a en m, van de wetgeldt niet indien wordt gejaagd ter uitoefening van de bevoegdheden toegekend bij of krachtens de artikelen 65en 68 van de wet, voorzover is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 72 van de wet.
2. De verboden om te jagen, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdelen b, f, g, h en l, van de wetgelden niet indien wordt gejaagd ter uitoefening van de bevoegdheden toegekend bij of krachtens artikel 68 van de wet, voorzover is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 72 van de wet.
3. Het verbod om te jagen voor zonsopkomst en na zonsondergang, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel f, van de wetgeldt niet ten aanzien van de jacht op de wilde eend gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.
4. Het verbod om te jagen indien de grond met sneeuw is bedekt, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel g, van de wetgeldt, tenzij gedeputeerde staten de jacht met toepassing van artikel 46, vijfde lid, van de wethebben gesloten, niet:
a. voor de jacht op de wilde eend of de houtduif, of
b. voor de jacht op het konijn, de haas of de fazant, indien deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.
5. Het verbod om te jagen vanaf of vanuit een vaartuig, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel o, van de wetgeldt uitsluitend voor de jacht op de wilde eend, fazant, patrijs en houtduif vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van meer dan 5 kilometer per uur.
2. De verboden om te jagen, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdelen b, f, g, h en l, van de wetgelden niet indien wordt gejaagd ter uitoefening van de bevoegdheden toegekend bij of krachtens artikel 68 van de wet, voorzover is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 72 van de wet.
3. Het verbod om te jagen voor zonsopkomst en na zonsondergang, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel f, van de wetgeldt niet ten aanzien van de jacht op de wilde eend gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.
4. Het verbod om te jagen indien de grond met sneeuw is bedekt, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel g, van de wetgeldt, tenzij gedeputeerde staten de jacht met toepassing van artikel 46, vijfde lid, van de wethebben gesloten, niet:
a. voor de jacht op de wilde eend of de houtduif, of
b. voor de jacht op het konijn, de haas of de fazant, indien deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.
5. Het verbod om te jagen vanaf of vanuit een vaartuig, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel o, van de wetgeldt uitsluitend voor de jacht op de wilde eend, fazant, patrijs en houtduif vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van meer dan 5 kilometer per uur.