BWBR0011836
Geldig vanaf 2000-12-01
Artikel 4
Regeling Asbestbeleid Rijksgebouwendienst
1. De maatregelen, bedoeld in artikel 2, ten aanzien van objecten waarvan de Staat eigenaar is, worden binnen een redelijke termijn nadat de inventarisatie van het object is afgerond tot uitvoering gebracht. De volgorde van prioriteitstelling van de objecten bij het uitvoeren van maatregelen is als volgt:
a. objecten van de eerste prioriteit: objecten waarvan is gebleken dat de asbest een acuut risico oplevert van schade aan de gezondheid van personen;
b. objecten van de tweede prioriteit: overige objecten.
2. Ingeval sprake is van een object waarvan de Staat eigenaar is en waaraan de tweede of de derde prioriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, is toegekend betreffen de maatregelen het asbestschoon maken van het object.
3. De maatregelen die in het kader van het plan van aanpak worden uitgevoerd worden aangemerkt als dringende reparatie in de zin van artikel 1591, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
4. Indien voor een object tussen de dienst en de afnemer een interne verhuurovereenkomst van kracht is, is artikel 1591, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.
5. Ten aanzien van de voorbereiding en de uitvoering van maatregelen is de dienst gehouden omtrent het tijdstip van de uitvoering vooraf met de afnemer overleg te plegen en de overlast voor de afnemer tot een minimum te beperken.
6. Ten aanzien van ieder object dat na de datum van inwerkingtreding van deze regeling aan de voorraad van de dienst wordt toegevoegd, bedingt de dienst dat het object asbestschoon aan de dienst wordt geleverd.
a. objecten van de eerste prioriteit: objecten waarvan is gebleken dat de asbest een acuut risico oplevert van schade aan de gezondheid van personen;
b. objecten van de tweede prioriteit: overige objecten.
2. Ingeval sprake is van een object waarvan de Staat eigenaar is en waaraan de tweede of de derde prioriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, is toegekend betreffen de maatregelen het asbestschoon maken van het object.
3. De maatregelen die in het kader van het plan van aanpak worden uitgevoerd worden aangemerkt als dringende reparatie in de zin van artikel 1591, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
4. Indien voor een object tussen de dienst en de afnemer een interne verhuurovereenkomst van kracht is, is artikel 1591, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.
5. Ten aanzien van de voorbereiding en de uitvoering van maatregelen is de dienst gehouden omtrent het tijdstip van de uitvoering vooraf met de afnemer overleg te plegen en de overlast voor de afnemer tot een minimum te beperken.
6. Ten aanzien van ieder object dat na de datum van inwerkingtreding van deze regeling aan de voorraad van de dienst wordt toegevoegd, bedingt de dienst dat het object asbestschoon aan de dienst wordt geleverd.