BWBR0011770
Geldig vanaf 2000-11-16
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar AID 2000
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam als bezoldigd ambtenaar bij de AID is bevoegd tot het opsporen van alle strafbare feiten.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam als onbezoldigd ambtenaar bij SBB, it Fryske Gea of Natuurbeheer is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de wetten en verordeningen genoemd in de bijlagebij dit besluit.
3. De buitengewoon opsporingsambtenaar
a. werkzaam bij de PD, is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de Landbouwkwaliteitswet en de Plantenziektenwet;
b. werkzaam bij de PD (karteerders) en de NAK is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie;
c. werkzaam ten behoeve van de Commissie van deskundigen van het Productschap Tuinbouw, is bevoegd tot het opsporen van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de Landbouwkwaliteitswet en de Wet op de bedrijfsorganisatie;
d. werkzaam als controleur flora en fauna, is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht;
e. werkzaam bij de Directie Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, is bevoegd tot het opsporen van feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens de Visserijwet 1963, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.
4. De buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in het tweede en het derde lid, is tevens bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
5. De opsporingsbevoegdheid geldt:
a. voor het grondgebied van Nederland;
b. voor de visserijzone, zoals bedoeld in de Machtigingswet instelling visserijzone en het uitvoeringsbesluit ex artikel 1 van de Machtigingswet instelling visserijzone;
c. buiten de onder a. en b. genoemde gebieden: 1°. aan boord van vissersschepen varende onder de Nederlandse vlag;
2°. voor de opsporing van krachtens artikel 3a van de Visserijwet 1963 strafbaar gestelde gedragingen, voor zover het betreft de overtreding van regelen als bedoeld in artikel 58, onderdeel b, van die wet, een en ander met inachtneming van de geldende volkenrechtelijke en interregionale bepalingen.
1°. aan boord van vissersschepen varende onder de Nederlandse vlag;
2°. voor de opsporing van krachtens artikel 3a van de Visserijwet 1963 strafbaar gestelde gedragingen, voor zover het betreft de overtreding van regelen als bedoeld in artikel 58, onderdeel b, van die wet,
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam als onbezoldigd ambtenaar bij SBB, it Fryske Gea of Natuurbeheer is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de wetten en verordeningen genoemd in de bijlagebij dit besluit.
3. De buitengewoon opsporingsambtenaar
a. werkzaam bij de PD, is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de Landbouwkwaliteitswet en de Plantenziektenwet;
b. werkzaam bij de PD (karteerders) en de NAK is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie;
c. werkzaam ten behoeve van de Commissie van deskundigen van het Productschap Tuinbouw, is bevoegd tot het opsporen van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de Landbouwkwaliteitswet en de Wet op de bedrijfsorganisatie;
d. werkzaam als controleur flora en fauna, is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht;
e. werkzaam bij de Directie Visserij van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, is bevoegd tot het opsporen van feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens de Visserijwet 1963, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998.
4. De buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in het tweede en het derde lid, is tevens bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
5. De opsporingsbevoegdheid geldt:
a. voor het grondgebied van Nederland;
b. voor de visserijzone, zoals bedoeld in de Machtigingswet instelling visserijzone en het uitvoeringsbesluit ex artikel 1 van de Machtigingswet instelling visserijzone;
c. buiten de onder a. en b. genoemde gebieden: 1°. aan boord van vissersschepen varende onder de Nederlandse vlag;
2°. voor de opsporing van krachtens artikel 3a van de Visserijwet 1963 strafbaar gestelde gedragingen, voor zover het betreft de overtreding van regelen als bedoeld in artikel 58, onderdeel b, van die wet, een en ander met inachtneming van de geldende volkenrechtelijke en interregionale bepalingen.
1°. aan boord van vissersschepen varende onder de Nederlandse vlag;
2°. voor de opsporing van krachtens artikel 3a van de Visserijwet 1963 strafbaar gestelde gedragingen, voor zover het betreft de overtreding van regelen als bedoeld in artikel 58, onderdeel b, van die wet,