BWBR0011719
Geldig vanaf 2000-10-25
Artikel 5
Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging
1. De subsidie voor hervestiging van een bedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt verstrekt indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. overdracht van de bij het bedrijf behorende grond in eigendom, vrij van enig gebruiksrecht, aan BBL op grond van een koopovereenkomst tussen BBL en de aanvrager, of inbreng van de bij het bedrijf behorende grond in een overeenkomst tussen de aanvrager en de landinrichtingscommissie inzake inbreng en toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling als bedoeld in artikel 196 van de Landinrichtingswet, artikel 76 van de Reconstructiewet Midden-Delfland of artikel 80 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën of inbreng van de bij het bedrijf behorende grond in een overeenkomst tussen de aanvrager en gedeputeerde staten inzake inbreng en toedeling van gronden, vooruitlopend op het plan van toedeling bedoeld in artikel 62 van de Reconstructiewet concentratiegebieden;
b. hervestiging van een volwaardig bedrijf op een andere plaats door de aanvrager binnen vierentwintig maanden na het sluiten van de in onderdeel a bedoelde overeenkomsten, en
c. voorzover de bedrijfsgebouwen gelegen zijn binnen een landinrichtingsproject of een reconstructiegebied, opname van een clausule in de in onderdeel a bedoelde overeenkomsten dat de bedrijfsgebouwen aan het gebruik voor de landbouw worden onttrokken.
2. In bijzondere gevallen kan de minister, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, op verzoek van de aanvrager of de eigenaar toestemming verlenen voor het behoud van eigendom of gebruik van een deel van de grond, of, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, voor het gebruik van de bedrijfsgebouwen voor de landbouw door de aanvrager of de eigenaar. Hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming wordt uitsluitend verleend indien:
a. de aanvrager tevens eindbeheerder is, of
b. het verzoek niet meer dan 10% van het toeslaggebied betreft en de oppervlakte niet groter dan 2 hectare is.
a. overdracht van de bij het bedrijf behorende grond in eigendom, vrij van enig gebruiksrecht, aan BBL op grond van een koopovereenkomst tussen BBL en de aanvrager, of inbreng van de bij het bedrijf behorende grond in een overeenkomst tussen de aanvrager en de landinrichtingscommissie inzake inbreng en toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling als bedoeld in artikel 196 van de Landinrichtingswet, artikel 76 van de Reconstructiewet Midden-Delfland of artikel 80 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën of inbreng van de bij het bedrijf behorende grond in een overeenkomst tussen de aanvrager en gedeputeerde staten inzake inbreng en toedeling van gronden, vooruitlopend op het plan van toedeling bedoeld in artikel 62 van de Reconstructiewet concentratiegebieden;
b. hervestiging van een volwaardig bedrijf op een andere plaats door de aanvrager binnen vierentwintig maanden na het sluiten van de in onderdeel a bedoelde overeenkomsten, en
c. voorzover de bedrijfsgebouwen gelegen zijn binnen een landinrichtingsproject of een reconstructiegebied, opname van een clausule in de in onderdeel a bedoelde overeenkomsten dat de bedrijfsgebouwen aan het gebruik voor de landbouw worden onttrokken.
2. In bijzondere gevallen kan de minister, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, op verzoek van de aanvrager of de eigenaar toestemming verlenen voor het behoud van eigendom of gebruik van een deel van de grond, of, in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, voor het gebruik van de bedrijfsgebouwen voor de landbouw door de aanvrager of de eigenaar. Hieraan kunnen voorschriften worden verbonden.
3. De in het tweede lid bedoelde toestemming wordt uitsluitend verleend indien:
a. de aanvrager tevens eindbeheerder is, of
b. het verzoek niet meer dan 10% van het toeslaggebied betreft en de oppervlakte niet groter dan 2 hectare is.