BWBR0011703
Geldig vanaf 2000-12-20
Artikel 6
Uitvoeringsbesluit Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs
1. De vaststelling, bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de wet, vindt plaats door beoordeling van die kennis, dat inzicht en die vaardigheden op het terrein van:
a. het handelen in het onderwijsleerproces,
b. het algemeen professioneel handelen, en
c. het werken binnen een organisatie.
Tevens omvat deze vaststelling beoordeling van kennis van het onderwijs.
2. Indien het betreft het geven van basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, omvat de in het eerste lid bedoelde vaststelling tevens beoordeling van de beroepshouding.
3. De in het eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of betrokkene in voldoende mate beschikt over:
a. het vermogen tot het begeleiden van leerlingen in hun leerproces,
b. het vermogen tot het presenteren van informatie,
c. het vermogen tot omgaan met een groep, klassenorganisatie en groepsmanagement.
4. De in het eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of betrokkene in voldoende mate beschikt over:
a. het vermogen tot reflectie en het nemen van initiatief,
b. het vermogen tot ontwikkeling van eigen professionele deskundigheid, en
c. vakdeskundigheid.
5. De in het vierde lid onder c bedoelde vakdeskundigheid omvat in het bijzonder taal en rekenen/wiskunde voor zover het betreft het geven van basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.
6. De in het eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of betrokkene in voldoende mate beschikt over het vermogen om met anderen samen te werken in een team of sectie.
7. De vaststelling, bedoeld in het derde, vierde en zesde lid, omvat tevens vaststelling van de terreinen waarop scholing en begeleiding als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder c, van de wetmoeten zijn gericht, alsmede van de mate van scholing en begeleiding.
a. het handelen in het onderwijsleerproces,
b. het algemeen professioneel handelen, en
c. het werken binnen een organisatie.
Tevens omvat deze vaststelling beoordeling van kennis van het onderwijs.
2. Indien het betreft het geven van basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, omvat de in het eerste lid bedoelde vaststelling tevens beoordeling van de beroepshouding.
3. De in het eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of betrokkene in voldoende mate beschikt over:
a. het vermogen tot het begeleiden van leerlingen in hun leerproces,
b. het vermogen tot het presenteren van informatie,
c. het vermogen tot omgaan met een groep, klassenorganisatie en groepsmanagement.
4. De in het eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of betrokkene in voldoende mate beschikt over:
a. het vermogen tot reflectie en het nemen van initiatief,
b. het vermogen tot ontwikkeling van eigen professionele deskundigheid, en
c. vakdeskundigheid.
5. De in het vierde lid onder c bedoelde vakdeskundigheid omvat in het bijzonder taal en rekenen/wiskunde voor zover het betreft het geven van basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.
6. De in het eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of betrokkene in voldoende mate beschikt over het vermogen om met anderen samen te werken in een team of sectie.
7. De vaststelling, bedoeld in het derde, vierde en zesde lid, omvat tevens vaststelling van de terreinen waarop scholing en begeleiding als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onder c, van de wetmoeten zijn gericht, alsmede van de mate van scholing en begeleiding.