BWBR0011703
Geldig vanaf 2000-12-20
Artikel 5
Uitvoeringsbesluit Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs
1. De beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring in onderlinge samenhang bezien van voldoende belang zijn in verhouding tot de door betrokkene beoogde werkzaamheden aan een school, geschiedt:
a. aan de hand van door betrokkene overgelegde diploma's, getuigschriften en andere bewijsstukken van gevolgd onderwijs als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de wet, en van ander gevolgd onderwijs, alsmede aan de hand van een onderhoud met betrokkene,
b. aan de hand van door betrokkene overgelegde bewijsstukken omtrent maatschappelijke activiteiten of beroepservaring, en
c. voor zover van toepassing, door betrokkene overgelegde referenties.
2. Betrokkene overlegt bij indiening van de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek de in het eerste lid bedoelde bescheiden en zet daarbij op een door het instellingsbestuur voor te schrijven wijze uiteen, op welke gronden de activiteiten waarop deze bescheiden betrekking hebben, naar zijn oordeel van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden.
3. Indien betrokkene werkzaamheden in het voortgezet onderwijs beoogt, blijkt uit de aanvraag dat betrokkene over kennis, inzicht en vaardigheden beschikt in een vak dat relevant is in relatie tot die werkzaamheden.
a. aan de hand van door betrokkene overgelegde diploma's, getuigschriften en andere bewijsstukken van gevolgd onderwijs als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de wet, en van ander gevolgd onderwijs, alsmede aan de hand van een onderhoud met betrokkene,
b. aan de hand van door betrokkene overgelegde bewijsstukken omtrent maatschappelijke activiteiten of beroepservaring, en
c. voor zover van toepassing, door betrokkene overgelegde referenties.
2. Betrokkene overlegt bij indiening van de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek de in het eerste lid bedoelde bescheiden en zet daarbij op een door het instellingsbestuur voor te schrijven wijze uiteen, op welke gronden de activiteiten waarop deze bescheiden betrekking hebben, naar zijn oordeel van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden.
3. Indien betrokkene werkzaamheden in het voortgezet onderwijs beoogt, blijkt uit de aanvraag dat betrokkene over kennis, inzicht en vaardigheden beschikt in een vak dat relevant is in relatie tot die werkzaamheden.