BWBR0011562
Geldig vanaf 2000-09-09
Artikel 3
Regeling impuls beroeponderwijs voor instellingen 2000
1. De aanvullende vergoeding bedraagt een voor de instelling evenredig gedeelte van het voor het jaar 2000 voor de instellingen beschikbare budget van ƒ 23.930.000,-
2. De hoogte van de aanvullende vergoeding voor een instelling die een verzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, heeft ingediend, wordt berekend:
a. voor een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet naar rato van de omvang van de rijksbijdrage berekend op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid, 2.4.1, eerste lid, en 6.1.3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB, die de instelling over 2000 ontvangt, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste ƒ 25.000,- bedraagt;
b. voor een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet, naar rato van de omvang van de rijksbijdrage die de instelling over 2000 ontvangt op grond van artikel 2.1.1 van de Uitvoeringsregeling WEB, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste ƒ 25.000,- bedraagt;
c. voor een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9 van de wet, naar rato van de omvang van de rijksbijdrage die de instelling over 2000 ontvangt op grond van artikel 2.2.1 van de Uitvoeringsregeling WEB, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste ƒ 25.000,- bedraagt.
3. De minister maakt de hoogte van de aanvullende vergoeding uiterlijk 15 oktober 2000 aan de instelling bekend.
2. De hoogte van de aanvullende vergoeding voor een instelling die een verzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, heeft ingediend, wordt berekend:
a. voor een instelling als bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet naar rato van de omvang van de rijksbijdrage berekend op grond van de artikelen 2.2.2, eerste lid, 2.4.1, eerste lid, en 6.1.3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB, die de instelling over 2000 ontvangt, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste ƒ 25.000,- bedraagt;
b. voor een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet, naar rato van de omvang van de rijksbijdrage die de instelling over 2000 ontvangt op grond van artikel 2.1.1 van de Uitvoeringsregeling WEB, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste ƒ 25.000,- bedraagt;
c. voor een hogeschool als bedoeld in artikel 12.3.9 van de wet, naar rato van de omvang van de rijksbijdrage die de instelling over 2000 ontvangt op grond van artikel 2.2.1 van de Uitvoeringsregeling WEB, met dien verstande dat de aanvullende vergoeding tenminste ƒ 25.000,- bedraagt.
3. De minister maakt de hoogte van de aanvullende vergoeding uiterlijk 15 oktober 2000 aan de instelling bekend.