BWBR0011505
Geldig vanaf 2000-07-29
Artikel 13
Regeling vernieuwing lerarenopleidingen basisonderwijs 2000 en 2001
1. De minister stelt een tijdelijke commissie 'Vernieuwing lerarenopleiding basisonderwijs' in.
2. De commissie bestaat uit:
een voorzitter op voordracht van de minister
een lid op voordracht van de HBO-Raad
een lid op voordracht van het Procesmanagement Primair Onderwijs.
3. De commissie heeft tot taak om uiterlijk op 6 oktober 2000 de minister te adviseren over de subsidieaanvragen voor de activiteiten, genoemd in artikel 8.
4. De commissie beoordeelt de afzonderlijke subsidieaanvragen op doeltreffendheid en doelmatigheid van de beoogde activiteiten binnen het kader van de in artikel 8 vermelde vernieuwingen, en beoordeelt het totaal van de subsidieaanvragen op de mate waarin deze gezamenlijk een evenwichtige bijdrage leveren aan alle beoogde vernieuwingen, genoemd in artikel 8.
5. De leden van de commissie komen tot hun oordeel zonder last of ruggespraak.
6. Op het advies van de commissie zijn de bepalingen van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing.
7. De commissie voorziet in haar eigen secretariaat. De commissie bepaalt haar eigen werkzaamheden en regelt de werkzaamheden van het secretariaat.
8. Het beheer van de stukken van de commissie geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens de Archiefwet 1995 bepaalde. Na opheffing van de commissie wordt het archief overgedragen aan de onderafdeling Centrale Archiefbewaarplaats van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
9. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Op de leden van de commissie zijn het Reisbesluit binnenland en het Vacatiegeldenbesluit 1998 van overeenkomstige toepassing, tenzij anders is overeengekomen met de leden van de commissie.
2. De commissie bestaat uit:
een voorzitter op voordracht van de minister
een lid op voordracht van de HBO-Raad
een lid op voordracht van het Procesmanagement Primair Onderwijs.
3. De commissie heeft tot taak om uiterlijk op 6 oktober 2000 de minister te adviseren over de subsidieaanvragen voor de activiteiten, genoemd in artikel 8.
4. De commissie beoordeelt de afzonderlijke subsidieaanvragen op doeltreffendheid en doelmatigheid van de beoogde activiteiten binnen het kader van de in artikel 8 vermelde vernieuwingen, en beoordeelt het totaal van de subsidieaanvragen op de mate waarin deze gezamenlijk een evenwichtige bijdrage leveren aan alle beoogde vernieuwingen, genoemd in artikel 8.
5. De leden van de commissie komen tot hun oordeel zonder last of ruggespraak.
6. Op het advies van de commissie zijn de bepalingen van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing.
7. De commissie voorziet in haar eigen secretariaat. De commissie bepaalt haar eigen werkzaamheden en regelt de werkzaamheden van het secretariaat.
8. Het beheer van de stukken van de commissie geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens de Archiefwet 1995 bepaalde. Na opheffing van de commissie wordt het archief overgedragen aan de onderafdeling Centrale Archiefbewaarplaats van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
9. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de minister. Op de leden van de commissie zijn het Reisbesluit binnenland en het Vacatiegeldenbesluit 1998 van overeenkomstige toepassing, tenzij anders is overeengekomen met de leden van de commissie.