BWBR0011486
Geldig vanaf 2000-07-16
Artikel 3
Beleidsregels vaststellen voorwaarden bedoeld in artikel 31 Elektriciteitswet 1998
1. De directeur van de dienst kan met inachtneming van de artikelen 32 tot en met 38 van de Elektriciteitswet 1998voorwaarden vaststellen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998, voor het bepalen van de omvang van de capaciteit voor het transport van elektriciteit over landsgrensoverschrijdende netten en voor het toewijzen van de beschikbare capaciteit op die netten, waaronder tevens begrepen wordt het veilen van capaciteit dan wel het volgens een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit, en het toewijzen van capaciteit die een afnemer niet gebruikt.
2. De omvang van de capaciteit die toegewezen kan worden door middel van een veiling of een andere marktconforme methode is ten hoogste de totale omvang van de capaciteit voor het transport van elektriciteit over landsgrensoverschrijdende netten na aftrek van:
a. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit in het kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de instandhouding van de integriteit van de netten te kunnen uitvoeren,
b. de hoeveelheid capaciteit die wordt toegewezen op grond van artikel 1 en
c. de hoeveelheid capaciteit die de directeur van de dienst op grond van artikel 26 heeft bestemd voor bepaalde verzoekers om transport van elektriciteit.
3. De directeur van de dienst bepaalt in de regeling tevens dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de opbrengst van het veilen of op een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit overeenkomstig de regeling, bedoeld in het derde lid, in ieder geval benut voor het opheffen van beperkingen in de transportcapaciteit.
2. De omvang van de capaciteit die toegewezen kan worden door middel van een veiling of een andere marktconforme methode is ten hoogste de totale omvang van de capaciteit voor het transport van elektriciteit over landsgrensoverschrijdende netten na aftrek van:
a. de hoeveelheid capaciteit die de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet reserveert om noodzakelijk transport van elektriciteit in het kader van onderlinge hulp en bijstand ten behoeve van de instandhouding van de integriteit van de netten te kunnen uitvoeren,
b. de hoeveelheid capaciteit die wordt toegewezen op grond van artikel 1 en
c. de hoeveelheid capaciteit die de directeur van de dienst op grond van artikel 26 heeft bestemd voor bepaalde verzoekers om transport van elektriciteit.
3. De directeur van de dienst bepaalt in de regeling tevens dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet de opbrengst van het veilen of op een andere marktconforme methode toewijzen van capaciteit overeenkomstig de regeling, bedoeld in het derde lid, in ieder geval benut voor het opheffen van beperkingen in de transportcapaciteit.