Bij de vaststelling van de kosten, bedoeld in artikel 3, wordt uitgegaan van een in de gehele organisatie van de subsidieontvanger gebruikelijke, controleerbare methodiek, met dien verstande dat:
a. met betrekking tot de kosten van aanschaf van de voorzieningen wordt uitgegaan van historische aanschafprijzen, tenzij een voorziening wordt aangeschaft door middel van een lease-overeenkomst, in welk geval het vereiste dat de kosten moeten zijn betaald niet van toepassing is en als kosten van aanschaf in aanmerking worden genomen de contante waarde van de in totaal verschuldigde leasetermijnen, verdisconteerd op jaarbasis;
b. met betrekking tot de loonkosten wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten;
c. niet in aanmerking worden genomen: 1º. winstopslagen bij transacties binnen een groep;
2º. financieringskosten en alle rentevergoedingen;
1º. winstopslagen bij transacties binnen een groep;
2º. financieringskosten en alle rentevergoedingen;
d. de kosten in aanmerking worden genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.