BWBR0011301
Geldig vanaf 2000-10-18
Artikel 29
Wet scheepsuitrusting
1. De artikelen 3, 7, eerste lid, en 26, eerste lid, zijn tot en met 31 december 2000 niet van toepassing op uitrusting, genoemd in bijlage A.1 van de richtlijn, naar de tekst van die bijlage zoals deze op 20 december 1996 is vastgesteld, indien die uitrusting is vervaardigd voor de inwerkingtreding van deze wet en is goedgekeurd op grond van regels, gesteld krachtens de Schepenwetof de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, die voor 20 december 1996 van kracht waren.
2. De artikelen 3, 7, eerste lid, en 26, eerste lid, zijn gedurende een termijn van twee jaren niet van toepassing op uitrusting die ingevolge een na 20 december 1996 vastgesteld besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie in bijlage A.1 is opgenomen, indien die uitrusting is vervaardigd voor de dag waarop het desbetreffende besluit voor de toepassing van deze wet is gaan gelden, en zij is goedgekeurd op grond van regels, gesteld krachtens de Schepenwetof de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, die voor de vaststelling van dat besluit van kracht waren. De termijn van twee jaren vangt aan op de dag waarop het wijzigingsbesluit voor de toepassing van deze wet gaat gelden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen, voorzover nodig ter uitvoering van een besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie tot wijziging van bijlage A.1 van de richtlijn, aanvullende regels van overgangsrecht worden gesteld.
2. De artikelen 3, 7, eerste lid, en 26, eerste lid, zijn gedurende een termijn van twee jaren niet van toepassing op uitrusting die ingevolge een na 20 december 1996 vastgesteld besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie in bijlage A.1 is opgenomen, indien die uitrusting is vervaardigd voor de dag waarop het desbetreffende besluit voor de toepassing van deze wet is gaan gelden, en zij is goedgekeurd op grond van regels, gesteld krachtens de Schepenwetof de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, die voor de vaststelling van dat besluit van kracht waren. De termijn van twee jaren vangt aan op de dag waarop het wijzigingsbesluit voor de toepassing van deze wet gaat gelden.
3. Bij ministeriële regeling kunnen, voorzover nodig ter uitvoering van een besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of van de Raad van de Europese Unie tot wijziging van bijlage A.1 van de richtlijn, aanvullende regels van overgangsrecht worden gesteld.