BWBR0011279
Geldig vanaf 2000-04-09
Artikel 2
Tijdelijke stimuleringsregeling algemeen maatschappelijk werk
1. Aan een gemeente kan voor de jaren 2000 tot en met 2003 één uitkering worden verstrekt ten behoeve van door de gemeente gerealiseerde fte’s.
2. Tot door de gemeente gerealiseerde fte’s worden gerekend:
a. de in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 met gemeentelijk subsidie tot stand gebrachte uitbreiding van het aantal gesubsidieerde fte’s;
b. een met gemeentelijk subsidie tot stand gebrachte uitbreiding van het aantal gesubsidieerde fte’s of met gemeentelijk subsidie uitgevoerde activiteiten als bedoeld in het derde lid, voor zover die gemeente in die periode een aantal fte’s subsidieert in een verhouding van in ieder geval 1 per 6000 inwoners.
3. Tot de in het tweede lid, onder b, bedoelde activiteiten worden gerekend activiteiten ter versterking van het functioneren van het algemeen maatschappelijk werk.
4. Onverminderd het vijfde lid bedraagt de uitkering:
a. voor elke fte waarmee het aantal gesubsidieerde fte’s, overeenkomstig het tweede lid, onder a, wordt uitgebreid: € 122.520,66;
b. de door de gemeente verstrekte subsidies, bedoeld in het tweede lid, onder b.
5. De uitkering voor een gemeente bedraagt ten hoogste het product van het aantal inwoners dat de gemeente op 31 december 2003 zal hebben ingevolge de Primos Prognose 1999 en vier maal het bedrag dat ontstaat door deling van het voor het verlenen van uitkeringen beschikbare bedrag en de som van het aantal inwoners van alle gemeenten ingevolge eerder genoemde prognose.
2. Tot door de gemeente gerealiseerde fte’s worden gerekend:
a. de in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 met gemeentelijk subsidie tot stand gebrachte uitbreiding van het aantal gesubsidieerde fte’s;
b. een met gemeentelijk subsidie tot stand gebrachte uitbreiding van het aantal gesubsidieerde fte’s of met gemeentelijk subsidie uitgevoerde activiteiten als bedoeld in het derde lid, voor zover die gemeente in die periode een aantal fte’s subsidieert in een verhouding van in ieder geval 1 per 6000 inwoners.
3. Tot de in het tweede lid, onder b, bedoelde activiteiten worden gerekend activiteiten ter versterking van het functioneren van het algemeen maatschappelijk werk.
4. Onverminderd het vijfde lid bedraagt de uitkering:
a. voor elke fte waarmee het aantal gesubsidieerde fte’s, overeenkomstig het tweede lid, onder a, wordt uitgebreid: € 122.520,66;
b. de door de gemeente verstrekte subsidies, bedoeld in het tweede lid, onder b.
5. De uitkering voor een gemeente bedraagt ten hoogste het product van het aantal inwoners dat de gemeente op 31 december 2003 zal hebben ingevolge de Primos Prognose 1999 en vier maal het bedrag dat ontstaat door deling van het voor het verlenen van uitkeringen beschikbare bedrag en de som van het aantal inwoners van alle gemeenten ingevolge eerder genoemde prognose.