BWBR0011226
Geldig vanaf 2000-04-06
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale verkeershandhaving 2000
1. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar strekt zich uit tot ten hoogste de strafbare feiten genoemd in artikel 435, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, artikel 34 van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften(WAHV), de artikelen 20, 21, 22, 59, 60, 62, 68 van het Reglement Verkeersregels en Verkeertekens (RVV) en omvat mede de bevoegdheden als omschreven in artikel 160, eerste, derde en vijfde lid van de Wegenverkeerswet.
2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van heel Nederland.
2. De opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt voor het grondgebied van heel Nederland.