BWBR0011133
Geldig vanaf 2000-02-29
Artikel 5
Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
1. Lozen is verboden.
2. In afwijking van het eerste lid is lozen toegestaan, indien het betreft:
a. huishoudelijk afvalwater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 6;
b. lozen ten gevolge van het wassen of uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 7;
c. lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 8;
d. lozen ten gevolge van de ontijzering van grondwater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 9;
e. lozen ten gevolge van het reinigen van gebouwen of opstallen waarin agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden plaatsvinden, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 10;
f. lozen van koel- en condenswater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 11;
g. lozen van hemelwater en water dat bij het reinigen van verhard oppervlak vrijkomt, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 12;
h. het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen door pleksgewijze, driftvrije, toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het talud;
i. overig op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen, dat verband houdt met gewasbescherming en toediening van meststoffen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in de artikelen 13, 15 en 16;
j. water dat bij normaal landbouwkundig gebruik uit de bodem vrijkomt en via een drainagesysteem wordt geloosd.
3. Ander lozen dan genoemd in het tweede lid, onderdeel a tot en met j, is toegestaan indien degene die de agrarische activiteiten waarvan het voorgenomen lozen het gevolg zal zijn uitvoert, voor de aanvang van het lozen aan de beheerder aantoont, dat het lozen geen nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam zal veroorzaken.
4. Het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen nabij een oppervlaktewaterlichaam is
a. verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 13 in acht worden genomen;
b. binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 15 in acht worden genomen.
2. In afwijking van het eerste lid is lozen toegestaan, indien het betreft:
a. huishoudelijk afvalwater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 6;
b. lozen ten gevolge van het wassen of uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 7;
c. lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 8;
d. lozen ten gevolge van de ontijzering van grondwater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 9;
e. lozen ten gevolge van het reinigen van gebouwen of opstallen waarin agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden plaatsvinden, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 10;
f. lozen van koel- en condenswater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 11;
g. lozen van hemelwater en water dat bij het reinigen van verhard oppervlak vrijkomt, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 12;
h. het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen door pleksgewijze, driftvrije, toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het talud;
i. overig op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen, dat verband houdt met gewasbescherming en toediening van meststoffen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in de artikelen 13, 15 en 16;
j. water dat bij normaal landbouwkundig gebruik uit de bodem vrijkomt en via een drainagesysteem wordt geloosd.
3. Ander lozen dan genoemd in het tweede lid, onderdeel a tot en met j, is toegestaan indien degene die de agrarische activiteiten waarvan het voorgenomen lozen het gevolg zal zijn uitvoert, voor de aanvang van het lozen aan de beheerder aantoont, dat het lozen geen nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam zal veroorzaken.
4. Het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen nabij een oppervlaktewaterlichaam is
a. verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 13 in acht worden genomen;
b. binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 15 in acht worden genomen.