BWBR0011011
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 7
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 2000
1. De minister betaalt op of omstreeks 15 januari 2000 aan gemeenten een voorschot van 50% van de maximale subsidie bedoeld in artikel 4, tweede lid, zonder dat daartoe door burgemeester en wethouders reeds een aanvraag is ingediend.
2. Gemeenten die over het jaar 1998 geen of een nihil jaaropgave als bedoeld in artikel 11 van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998en over het jaar 1999 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999hebben ingediend, ontvangen geen voorschot, tenzij de aanvraag bedoeld in artikel 6, eerste lid, vóór 1 februari 2000 door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 1 maart 2000.
3. De minister betaalt op of omstreeks 15 juni 2000 aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel terug-gevorderd.
4. Indien de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 4, derde lid, of 5, vijfde lid, wordt de daaruit voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in één keer aan gemeenten betaalbaar gesteld tot 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid.
2. Gemeenten die over het jaar 1998 geen of een nihil jaaropgave als bedoeld in artikel 11 van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998en over het jaar 1999 geen aanvraag voor kinderopvang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999hebben ingediend, ontvangen geen voorschot, tenzij de aanvraag bedoeld in artikel 6, eerste lid, vóór 1 februari 2000 door de minister is ontvangen. In dat geval ontvangt de gemeente het voorschot, bedoeld in het eerste lid, op of omstreeks 1 maart 2000.
3. De minister betaalt op of omstreeks 15 juni 2000 aan gemeenten een voorschot van 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid. Bij de betaalbaarstelling van dit voorschot wordt het voorschot, bedoeld in het eerste of tweede lid, verrekend dan wel terug-gevorderd.
4. Indien de minister gebruik maakt van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 4, derde lid, of 5, vijfde lid, wordt de daaruit voortvloeiende hogere subsidie zo spoedig mogelijk bij wijze van voorschot in één keer aan gemeenten betaalbaar gesteld tot 80% van de maximale subsidie, bedoeld in artikel 6, zesde lid.