BWBR0010994
Geldig vanaf 2000-01-01
Artikel 13
Besluit in- en doorstroombanen
1. Onze Minister verleent op of omstreeks 15 mei 2003 aan de gemeente voor het jaar 2003 een subsidie voor de uitvoering van <a href="/wet/BWBR0010994/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300"> artikel 3, eerste lid</a>, op basis van een door burgemeester en wethouders bij wijze van aanvraag uiterlijk op 1 februari 2003 gedane opgave van het aantal feitelijk bezette arbeidsplaatsen op 30 juni 2002.
2. Bij toepassing van het eerste lid wordt in aanvulling op dat lid aan de gemeenten door Onze Minister in totaal € 45 000 000,– extra subsidie verleend. Deze subsidie wordt over de gemeenten verdeeld op basis van de verdeelmaatstaf, opgenomen in <a href="/wet/BWBR0009199/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden</a>.
3. Gemeenten die op 30 juni 2002 geen feitelijk bezette arbeidsplaatsen als bedoeld in het eerste lid hebben gerealiseerd, ontvangen op of omstreeks 15 mei 2003 de subsidie, bedoeld in het tweede lid. De subsidie wordt, in afwijking van het tweede lid, vastgesteld volgens de bijlage bij dit besluit.
4. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende dag van iedere maand als volgt betaalbaar gesteld:
a. in de maanden januari tot en met april van het jaar 2003, in vier gelijke delen en in de maand mei in een deel ter grootte van tweemaal het daaraan voorafgaande maandelijkse bedrag, op basis van de verdeling van de voor het jaar 2002 toegekende arbeidsplaatsen;
b. in de maanden juni tot en met december van het jaar 2003, in zeven gelijke delen van de verleende subsidie, verminderd met de eerder betaalde voorschotten.
Het voorschot voor de maand januari wordt betaalbaar gesteld, ongeacht of door burgemeester en wethouders een aanvraag is ingediend.
5. De subsidie, bedoeld in het tweede lid, wordt per maand bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende dag van iedere maand betaalbaar gesteld. De laatste volzin van het derde lid is van toepassing.
6. Indien burgemeester en wethouders de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet of niet binnen de gestelde termijn indienen, worden de reeds betaalde voorschotten teruggevorderd.
7. Indien de betaalde voorschotten meer bedragen dan de verleende subsidie, wordt het teveel betaalde teruggevorderd.
8. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de subsidie uiterlijk op 1 juli 2004 een jaaropgave heeft ontvangen. De jaaropgave wordt voorzien van een verklaring van een accountant, belast met de in <a href="/wet/BWBR0005416/artikel/213" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 213 van de Gemeentewet</a>voorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens. Na ontvangst van de jaaropgave stelt Onze Minister de subsidie binnen 12 maanden vast. Indien de jaaropgave niet is ontvangen binnen 12 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in de tweede volzin, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.
9. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor de informatievoorziening, de beleidsvorming en voor het betalen en vaststellen van de subsidie nodig heeft en werken mee aan door of namens Onze Minister ingesteld onderzoek, dat erop gericht is Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van beleidsontwikkeling.
10. Indien de inlichtingen, bedoeld in het negende lid, niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn ontvangen, kan Onze Minister de betaling van de voorschotten, bedoeld in het vierde en vijfde lid, opschorten. Hervatting van de betaling en nabetaling van de niet betaalde voorschotten vindt zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de in het negende lid bedoelde gegevens.
11. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de vorm en inhoud van:
a. de opgave, bedoeld in het eerste lid;
b. de jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het achtste lid;
c. de inlichtingen die op grond van het negende lid worden verstrekt en de wijze en het tijdstip van verstrekking.
12. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:46" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht</a>.
2. Bij toepassing van het eerste lid wordt in aanvulling op dat lid aan de gemeenten door Onze Minister in totaal € 45 000 000,– extra subsidie verleend. Deze subsidie wordt over de gemeenten verdeeld op basis van de verdeelmaatstaf, opgenomen in <a href="/wet/BWBR0009199/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden</a>.
3. Gemeenten die op 30 juni 2002 geen feitelijk bezette arbeidsplaatsen als bedoeld in het eerste lid hebben gerealiseerd, ontvangen op of omstreeks 15 mei 2003 de subsidie, bedoeld in het tweede lid. De subsidie wordt, in afwijking van het tweede lid, vastgesteld volgens de bijlage bij dit besluit.
4. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende dag van iedere maand als volgt betaalbaar gesteld:
a. in de maanden januari tot en met april van het jaar 2003, in vier gelijke delen en in de maand mei in een deel ter grootte van tweemaal het daaraan voorafgaande maandelijkse bedrag, op basis van de verdeling van de voor het jaar 2002 toegekende arbeidsplaatsen;
b. in de maanden juni tot en met december van het jaar 2003, in zeven gelijke delen van de verleende subsidie, verminderd met de eerder betaalde voorschotten.
Het voorschot voor de maand januari wordt betaalbaar gesteld, ongeacht of door burgemeester en wethouders een aanvraag is ingediend.
5. De subsidie, bedoeld in het tweede lid, wordt per maand bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende dag van iedere maand betaalbaar gesteld. De laatste volzin van het derde lid is van toepassing.
6. Indien burgemeester en wethouders de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet of niet binnen de gestelde termijn indienen, worden de reeds betaalde voorschotten teruggevorderd.
7. Indien de betaalde voorschotten meer bedragen dan de verleende subsidie, wordt het teveel betaalde teruggevorderd.
8. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de subsidie uiterlijk op 1 juli 2004 een jaaropgave heeft ontvangen. De jaaropgave wordt voorzien van een verklaring van een accountant, belast met de in <a href="/wet/BWBR0005416/artikel/213" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 213 van de Gemeentewet</a>voorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens. Na ontvangst van de jaaropgave stelt Onze Minister de subsidie binnen 12 maanden vast. Indien de jaaropgave niet is ontvangen binnen 12 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in de tweede volzin, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.
9. Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor de informatievoorziening, de beleidsvorming en voor het betalen en vaststellen van de subsidie nodig heeft en werken mee aan door of namens Onze Minister ingesteld onderzoek, dat erop gericht is Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van beleidsontwikkeling.
10. Indien de inlichtingen, bedoeld in het negende lid, niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn ontvangen, kan Onze Minister de betaling van de voorschotten, bedoeld in het vierde en vijfde lid, opschorten. Hervatting van de betaling en nabetaling van de niet betaalde voorschotten vindt zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de in het negende lid bedoelde gegevens.
11. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de vorm en inhoud van:
a. de opgave, bedoeld in het eerste lid;
b. de jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het achtste lid;
c. de inlichtingen die op grond van het negende lid worden verstrekt en de wijze en het tijdstip van verstrekking.
12. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:46" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht</a>.