BWBR0009199
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 14
Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden
1. Het scholings- en activeringsbudget wordt voor ieder subsidiejaar (t) over de gemeenten verdeeld volgens de volgende verdeelsleutel:
a. 2% van dit beschikbare scholings- en activeringsbudget wordt gelijkelijk over de gemeenten verdeeld;
b. 98% van dit beschikbare scholings- en activeringsbudget wordt over de gemeenten verdeeld op grond van door de gemeente verstrekte jaaropgaven, die zijn voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet over het jaar dat ligt drie jaar voorafgaande aan het subsidiejaar (t-3), waarbij: 1°. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal dienstbetrekkingen met jongeren;
2°. 15% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal dienstbetrekkingen met personen van 23 jaar en ouder;
3°. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen, jonger dan 21 jaar aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet is verleend;
4°. 65% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar, aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet is verleend.
1°. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal dienstbetrekkingen met jongeren;
2°. 15% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal dienstbetrekkingen met personen van 23 jaar en ouder;
3°. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen, jonger dan 21 jaar aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet is verleend;
4°. 65% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar, aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet is verleend.
2. In aanvulling op het bedrag van het scholings- en activeringsbudget bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister aan bij ministeriële regeling te bepalen gemeenten met een groot aantal bijstandsgerechtigden een bij die regeling te bepalen extra subsidiebedrag verlenen.
3. In aanvulling op het bedrag van het scholings- en activeringsbudget, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister aan de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht een bij ministeriële regeling te bepalen subsidiebedrag verlenen.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aantallen bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld.
a. 2% van dit beschikbare scholings- en activeringsbudget wordt gelijkelijk over de gemeenten verdeeld;
b. 98% van dit beschikbare scholings- en activeringsbudget wordt over de gemeenten verdeeld op grond van door de gemeente verstrekte jaaropgaven, die zijn voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet over het jaar dat ligt drie jaar voorafgaande aan het subsidiejaar (t-3), waarbij: 1°. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal dienstbetrekkingen met jongeren;
2°. 15% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal dienstbetrekkingen met personen van 23 jaar en ouder;
3°. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen, jonger dan 21 jaar aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet is verleend;
4°. 65% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar, aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet is verleend.
1°. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal dienstbetrekkingen met jongeren;
2°. 15% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal dienstbetrekkingen met personen van 23 jaar en ouder;
3°. 10% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen, jonger dan 21 jaar aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet is verleend;
4°. 65% wordt verdeeld naar rato van het opgegeven aantal personen van 21 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar, aan wie algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet is verleend.
2. In aanvulling op het bedrag van het scholings- en activeringsbudget bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister aan bij ministeriële regeling te bepalen gemeenten met een groot aantal bijstandsgerechtigden een bij die regeling te bepalen extra subsidiebedrag verlenen.
3. In aanvulling op het bedrag van het scholings- en activeringsbudget, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister aan de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht een bij ministeriële regeling te bepalen subsidiebedrag verlenen.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aantallen bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld.