BWBR0010978
Geldig vanaf 1999-12-24
Artikel 8
Besluit interoperabiliteit transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem
1. De aangemelde instantie blijft voldoen aan de minimumcriteria van bijlage VII van richtlijn 96/48/EGen aan de erkenningscriteria, bedoeld in artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet.
2. Onze Minister trekt de erkenning van een aangemelde instantie in indien deze niet of niet meer voldoet aan de minimumcriteria van bijlage VII van richtlijn 96/48/EG.
3. Onze Minister trekt de erkenning in op verzoek van de aangemelde instantie.
4. Onze Minister kan de erkenning van een aangemelde instantie voorts intrekken wegens:
a. handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, of artikel 4, tweede of derde lid;
b. het niet of niet meer voldoen aan de erkenningscriteria, bedoeld in artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet;
c. handelen in strijd met krachtens artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet aan de erkenning verbonden beperkingen of voorschriften;
d. handelen in strijd met de regels, bedoeld in artikel 7, onder b tot en met e;
e. het in rekening brengen van een bedrag dat hoger is dan een krachtens artikel 32d, achtste lid, tweede volzin, van de Spoorwegwet, terzake vastgesteld maximumbedrag;
f. het uitoefenen van andere taken dan wel taken met betrekking tot andere interoperabiliteitsonderdelen, subsystemen of modules dan die, waarvoor de aangemelde instantie krachtens de erkenning bevoegd is;
g. schending van de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht, door één of meer van de bij de uitvoering van de taak van aangemelde instantie betrokken personen;
h. het negeren van door het comité, bedoeld in artikel 21, van richtlijn 96/48/EG gegeven aanwijzingen ter coördinatie van de aangemelde instanties;
i. het ondanks daartoe strekkende kennisgeving van Onze Minister niet doorvoeren van door de Commissie van de Europese Gemeenschappen noodzakelijk geachte wijzigingen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van richtlijn 96/48/EG;
j. het gedurende langere tijd niet of nauwelijks uitvoeren van werkzaamheden met betrekking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 2, of in het kader van de EG-keuring, bedoeld in artikel 4.
5. Van de intrekking van een erkenning wordt mededeling gedaan door kennisgeving in de Staatscourant.
2. Onze Minister trekt de erkenning van een aangemelde instantie in indien deze niet of niet meer voldoet aan de minimumcriteria van bijlage VII van richtlijn 96/48/EG.
3. Onze Minister trekt de erkenning in op verzoek van de aangemelde instantie.
4. Onze Minister kan de erkenning van een aangemelde instantie voorts intrekken wegens:
a. handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, of artikel 4, tweede of derde lid;
b. het niet of niet meer voldoen aan de erkenningscriteria, bedoeld in artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet;
c. handelen in strijd met krachtens artikel 32d, zevende lid, van de Spoorwegwet aan de erkenning verbonden beperkingen of voorschriften;
d. handelen in strijd met de regels, bedoeld in artikel 7, onder b tot en met e;
e. het in rekening brengen van een bedrag dat hoger is dan een krachtens artikel 32d, achtste lid, tweede volzin, van de Spoorwegwet, terzake vastgesteld maximumbedrag;
f. het uitoefenen van andere taken dan wel taken met betrekking tot andere interoperabiliteitsonderdelen, subsystemen of modules dan die, waarvoor de aangemelde instantie krachtens de erkenning bevoegd is;
g. schending van de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht, door één of meer van de bij de uitvoering van de taak van aangemelde instantie betrokken personen;
h. het negeren van door het comité, bedoeld in artikel 21, van richtlijn 96/48/EG gegeven aanwijzingen ter coördinatie van de aangemelde instanties;
i. het ondanks daartoe strekkende kennisgeving van Onze Minister niet doorvoeren van door de Commissie van de Europese Gemeenschappen noodzakelijk geachte wijzigingen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van richtlijn 96/48/EG;
j. het gedurende langere tijd niet of nauwelijks uitvoeren van werkzaamheden met betrekking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 2, of in het kader van de EG-keuring, bedoeld in artikel 4.
5. Van de intrekking van een erkenning wordt mededeling gedaan door kennisgeving in de Staatscourant.