BWBR0010877
Geldig vanaf 1999-11-28
Artikel 8
Stimuleringsregeling breedtesport
1. Bij de verdeling van het beschikbare budget geeft de minister die aanvragen voorrang waarvan de inwilliging gelet op de artikelen 3en 4in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting van meer belang is voor het beleid en meer zal bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de uitkering.
2. Indien dit, ondanks de toepassing van het eerste lid, voor de verdeling van het beschikbare budget noodzakelijk is, geeft de minister bij de beoordeling van de aanvragen ten behoeve van breedtesportprojecten waarvan de subsidiëring aanvangt met ingang van 1 januari 2005, voorrang aan gezamenlijke breedtesportprojecten als bedoeld in artikel 2, tweede lid.
3. Indien dit, ondanks de toepassing van het eerste en tweede lid, voor de verdeling van het beschikbare budget noodzakelijk is, geeft de minister bij de beoordeling van de aanvragen voorrang aan projecten die aansluiten bij de volgende beleidsthema’s, waarbij de volgorde van de opsomming het belang van het thema weergeeft:
a. de betrokkenheid en de versterking van sportverenigingen waarmee wordt bijgedragen aan het oplossen van de problemen met het kaderbeleid en aan het tegengaan van het tekort aan vrijwilligers in de sport;
b. de versterking op lokaal niveau van de sociale cohesie in wijken, de versterking van de samenwerking tussen organisaties op het gebied van school en jeugd alsmede de verbetering van verenigingsondersteuning;
c. de bevordering van gezond beweeggedrag;
d. de bevordering van deelname door ouderen en mensen met een handicap.
2. Indien dit, ondanks de toepassing van het eerste lid, voor de verdeling van het beschikbare budget noodzakelijk is, geeft de minister bij de beoordeling van de aanvragen ten behoeve van breedtesportprojecten waarvan de subsidiëring aanvangt met ingang van 1 januari 2005, voorrang aan gezamenlijke breedtesportprojecten als bedoeld in artikel 2, tweede lid.
3. Indien dit, ondanks de toepassing van het eerste en tweede lid, voor de verdeling van het beschikbare budget noodzakelijk is, geeft de minister bij de beoordeling van de aanvragen voorrang aan projecten die aansluiten bij de volgende beleidsthema’s, waarbij de volgorde van de opsomming het belang van het thema weergeeft:
a. de betrokkenheid en de versterking van sportverenigingen waarmee wordt bijgedragen aan het oplossen van de problemen met het kaderbeleid en aan het tegengaan van het tekort aan vrijwilligers in de sport;
b. de versterking op lokaal niveau van de sociale cohesie in wijken, de versterking van de samenwerking tussen organisaties op het gebied van school en jeugd alsmede de verbetering van verenigingsondersteuning;
c. de bevordering van gezond beweeggedrag;
d. de bevordering van deelname door ouderen en mensen met een handicap.