BWBR0010671
Geldig vanaf 1999-09-11
Artikel 9
Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu
1. De Minister betrekt bij de beoordeling of en in welke mate een project als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, bijdraagt aan de in artikel 2bedoelde doelstelling ten minste de volgende aspecten:
a. de mate waarin burgers met geen of weinig interesse in het milieubeleid meer dan eenmalig worden bereikt, geïnteresseerd raken en zo mogelijk geactiveerd worden;
b. de mate waarin wordt aangesloten op activiteiten gericht op de doelgroep van derden naar aanleiding van andere maatschappelijke vraagstukken;
c. de mate waarin het project een nationale voorbeeldwerking kan hebben;
d. de mate waarin het project bijdraagt aan het maatschappelijk debat over het milieu en duurzame ontwikkeling;
e. de mate waarin het project meerwaarde heeft ten opzichte van andere initiatieven;
f. de mate waarin het project kans van slagen heeft gezien de probleemanalyse en het gepresenteerde plan van aanpak, inclusief de evaluatie;
g. de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het resultaat dat het project naar het oordeel van de Minister beoogt.
2. De Minister betrekt bij de beoordeling of en in welke mate een project als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b, bijdraagt aan de in artikel 2bedoelde doelstelling ten minste de volgende aspecten:
a. de mate waarin het project bijdraagt aan het maatschappelijk debat over het milieu en duurzame ontwikkeling;
b. de mate waarin bij het project burgers en andere maatschappelijke actoren worden betrokken;
c. de mate waarin het project meerwaarde heeft ten opzichte van andere initiatieven;
d. de mate waarin het project kans van slagen heeft gezien de probleemanalyse en het gepresenteerde plan van aanpak, inclusief de evaluatie;
e. de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het resultaat dat het project naar het oordeel van de Minister beoogt.
a. de mate waarin burgers met geen of weinig interesse in het milieubeleid meer dan eenmalig worden bereikt, geïnteresseerd raken en zo mogelijk geactiveerd worden;
b. de mate waarin wordt aangesloten op activiteiten gericht op de doelgroep van derden naar aanleiding van andere maatschappelijke vraagstukken;
c. de mate waarin het project een nationale voorbeeldwerking kan hebben;
d. de mate waarin het project bijdraagt aan het maatschappelijk debat over het milieu en duurzame ontwikkeling;
e. de mate waarin het project meerwaarde heeft ten opzichte van andere initiatieven;
f. de mate waarin het project kans van slagen heeft gezien de probleemanalyse en het gepresenteerde plan van aanpak, inclusief de evaluatie;
g. de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het resultaat dat het project naar het oordeel van de Minister beoogt.
2. De Minister betrekt bij de beoordeling of en in welke mate een project als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder b, bijdraagt aan de in artikel 2bedoelde doelstelling ten minste de volgende aspecten:
a. de mate waarin het project bijdraagt aan het maatschappelijk debat over het milieu en duurzame ontwikkeling;
b. de mate waarin bij het project burgers en andere maatschappelijke actoren worden betrokken;
c. de mate waarin het project meerwaarde heeft ten opzichte van andere initiatieven;
d. de mate waarin het project kans van slagen heeft gezien de probleemanalyse en het gepresenteerde plan van aanpak, inclusief de evaluatie;
e. de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het resultaat dat het project naar het oordeel van de Minister beoogt.