BWBR0010671
Geldig vanaf 1999-09-11
Artikel 14
Subsidieregeling maatschappelijke organisaties en milieu
De Minister betrekt bij de beoordeling of en in welke mate een programma bijdraagt aan de in artikel 2bedoelde doelstelling ten minste de volgende aspecten:
a. de mate waarin blijkt dat er een duidelijke visie op milieu of duurzame ontwikkeling is;
b. de mate waarin sprake is van een goede balans tussen continuïteit en het zoeken naar vernieuwing mede op basis van de uitkomsten van uitgevoerde evaluaties.
c. de mate waarin het programma bijdraagt aan het maatschappelijk debat over het milieu en duurzame ontwikkeling;
d. de mate waarin bij het programma burgers en andere maatschappelijke actoren worden betrokken;
e. de mate waarin het programma meerwaarde heeft ten opzichte van andere initiatieven;
f. de mate waarin het programma kans van slagen heeft gezien de probleemanalyse en het gepresenteerde plan van aanpak, inclusief de evaluatie;
g. de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het resultaat dat het programma naar het oordeel van de Minister beoogt.
a. de mate waarin blijkt dat er een duidelijke visie op milieu of duurzame ontwikkeling is;
b. de mate waarin sprake is van een goede balans tussen continuïteit en het zoeken naar vernieuwing mede op basis van de uitkomsten van uitgevoerde evaluaties.
c. de mate waarin het programma bijdraagt aan het maatschappelijk debat over het milieu en duurzame ontwikkeling;
d. de mate waarin bij het programma burgers en andere maatschappelijke actoren worden betrokken;
e. de mate waarin het programma meerwaarde heeft ten opzichte van andere initiatieven;
f. de mate waarin het programma kans van slagen heeft gezien de probleemanalyse en het gepresenteerde plan van aanpak, inclusief de evaluatie;
g. de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het resultaat dat het programma naar het oordeel van de Minister beoogt.