Uitvoeringsbesluit WEB
Hoofdstuk 1
Algemeen
Artikel 1.2
Hoofdstuk 2
Bekostiging beroepsonderwijs
Paragraaf 1
Algemene bepalingen
Artikel 2.1.1
2. De paragrafen 6en 6ahebben mede betrekking op de in artikel 12.3.8 van de wetgenoemde instituten.
Artikel 2.1.2
basisberoepsopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
bbl-student: student die is ingeschreven voor een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg;
bol-student: student die is ingeschreven voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg;
diploma van een beroepsopleiding: door een examencommissie uitgereikt bewijsstuk dat met goed gevolg is afgelegd het examen van een beroepsopleiding die op grond van artikel 2.1.1 van de wet voor bekostiging in aanmerking komt, alsmede van een opleiding die niet langer wordt bekostigd op grond van artikel 2.1.1 van de wet;
entreeopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
middenkaderopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet;
opleiding: beroepsopleiding die op grond van artikel 2.1.1 van de wet voor bekostiging in aanmerking komt;
specialistenopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, van de wet;
vakopleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, van de wet.
Artikel 2.1.3
2. Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in landelijk beschikbare budgetten voor:
a. de entreeopleiding,
b. de basisberoepsopleiding, en
c. de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.
3. Onze Minister berekent ieder kalenderjaar de som van de betalingen die op grond van artikel 2.2.3, eerste lid, van de wet, zijn verricht in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober van het betreffende kalenderjaar en de betalingen waarvan vaststaat dat ze nog dat kalenderjaar worden verricht.
4. Voorts berekent Onze Minister ieder kalenderjaar de som van het bedrag dat voor de betalingen, bedoeld in het derde lid, was gereserveerd en het bedrag van de middelen die in dat kalenderjaar in mindering zijn gebracht op de rijksbijdrage op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, tweede volzin, van de wet.
5. Indien de som, bedoeld in het vierde lid hoger is dan de som, bedoeld in het derde lid, wordt het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het betreffende kalenderjaar verhoogd met dat verschil.
Paragraaf 2
Exploitatiekosten en huisvestingskosten
Artikel 2.2.1
a. het rijksbijdragedeel voor de entreeopleiding,
b. het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding, en
c. het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding,
zoals deze delen voor het desbetreffende jaar voor de instelling worden berekend op grond van de artikelen 2.2.2en 2.2.3. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
2. De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage wordt vermeerderd met het rijksbijdragedeel voor gehandicapte studenten, zoals dat wordt berekend op grond van artikel 2.6a.1.
3. De op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 2.2.2
[tabel]
waarbij wordt verstaan onder:
ISW: de op grond van het tweede lid berekende studentenwaarde voor de entreeopleiding van de instelling, afgerond op twee decimalen;
LSW: de landelijke studentenwaarde voor de entreeopleiding, zijnde de som van de studentenwaarden voor de entreeopleiding van de instellingen;
LB: het landelijk beschikbare budget voor de entreeopleiding.
2. ISW wordt berekend volgens de formule:
∑ [(Sbbl x 0,5 x PF) + (Sbol x PF)] x Cf
waarbij wordt verstaan onder:
Sbbl: elke student die a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
b. daadwerkelijk die opleiding volgt en
c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding;
a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
b. daadwerkelijk die opleiding volgt en
c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding;
Sbol: elke student die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
PF: de op grond van het vijfde lid voor de opleiding waarin de student is ingeschreven geldende prijsfactor;
Cf: de op grond van het vierde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de entreeopleiding.
3. Vervallen.
4. Cf wordt als volgt berekend:
[tabel]
In deze formule wordt verstaan onder:
Sbbl1: het aantal bbl-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbol1: het aantal bol-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbbl2: het aantal bbl-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbol2: het aantal bol-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor een entreeopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
5. PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.
6. Voor de berekening, bedoeld in dit artikel, tellen de studenten die op de genoemde tijdstippen voor de assistentopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de wetzoals dat onderdeel luidde op 31 juli 2014, zijn ingeschreven als ingeschreven studenten voor de entreeopleiding.
Artikel 2.2.3
[tabel]
waarbij het rijksbijdragedeel voor de basisberoepsopleiding wordt berekend aan de hand van de gegevens die betrekking hebben op de basisberoepsopleiding en het rijksbijdragedeel voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding wordt berekend aan de hand van de gegevens die betrekking hebben op de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, en
waarbij wordt verstaan onder:
ISW: de op grond van het tweede lid berekende studentenwaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding van de instelling, afgerond op twee decimalen;
IDiW: de op grond van het zesde lid berekende diplomawaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, afgerond op twee decimalen;
LSW: de landelijke studentenwaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, zijnde de som van de ISW van alle instellingen;
LDiW: de landelijke diplomawaarde voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, zijnde de som van de diplomawaarden van alle instellingen;
LB: het landelijk beschikbare budget voor de basisberoepsopleiding respectievelijk het landelijk beschikbare budget voor de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.
2. ISW wordt berekend volgens de formule:
Σ [(Sbbl x 0,4 x PF) + (Sbol x PF)] x 0,8 x Cf
waarbij wordt verstaan onder:
Sbbl: elke student die
a. op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg,
b. daadwerkelijk die opleiding volgt, en
c. uiterlijk op 31 december van datzelfde kalenderjaar een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8, tweede lid, van de wet heeft gesloten die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een kwalificatie of kwalificatiedossier, behorend bij die opleiding, en 1° daadwerkelijk op die datum die opleiding in de praktijk van het beroep volgt, dan wel
2° indien een student een opleiding volgt waarvoor kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar daarop volgend de opleiding in de praktijk van het beroep volgt;
1° daadwerkelijk op die datum die opleiding in de praktijk van het beroep volgt, dan wel
2° indien een student een opleiding volgt waarvoor kwalificaties als bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid, van de wet zijn vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar daarop volgend de opleiding in de praktijk van het beroep volgt;
Sbol: elke student die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding in de beroepsopleidende leerweg en daadwerkelijk die opleiding volgt;
PF: de op grond van het vierde lid voor de opleiding waarin de student is ingeschreven geldende prijsfactor;
Cf:de op grond van het vijfde lid berekende correctiefactor tweede teldatum voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding.
3. Vervallen.
4. PF wordt bij ministeriële regeling vastgesteld voor elke opleiding.
5. Cf wordt als volgt berekend:
[tabel]
In deze formule wordt verstaan onder:
Sbbl1: het aantal bbl-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbol1: het aantal bol-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbbl2: het aantal bbl-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt;
Sbol2: het aantal bol-studenten dat op 1 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling staat ingeschreven voor de basisberoepsopleiding respectievelijk de vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding en daadwerkelijk die opleiding volgt.
6. IDiW wordt berekend volgens de formule:
IDiW = Σ {[(S x DiW - DiE) + DS] x 0,2}
waarbij wordt verstaan onder:
S: elke student die in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling een diploma van een basisberoepsopleiding respectievelijk een vakopleiding of middenkaderopleiding heeft behaald;
DiW: de diplomawaarde; DiW bedraagt voor:
– een basisberoepsopleiding: 1,
– een vakopleiding: 3,
– een middenkaderopleiding: 5;
DiE: DiW van het hoogste door S eerder behaalde diploma van een basisberoepsopleiding, een vakopleiding of een middenkaderopleiding;
DS: de diplomawaarde voor een specialistenopleiding bedraagt 2 voor elke student die een diploma van een specialistenopleiding heeft behaald in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar, en niet eerder een diploma van een specialistenopleiding heeft behaald.
Onder student wordt mede begrepen de extraneus, bedoeld in artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
Indien het eerder behaalde diploma, bedoeld in DiE van een hoger niveau is dan het diploma bedoeld in S, dan wordt het diploma bedoeld in S buiten beschouwing gelaten. Indien in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar meerdere diploma’s op dezelfde datum zijn afgegeven, telt steeds het laagste diploma als het eerder behaalde diploma.
Indien een diploma is behaald door een student die drie aaneengesloten voorgaande kalenderjaren niet op 1 oktober was ingeschreven, blijven diploma’s behaald voorafgaand aan deze onderbreking buiten beschouwing.
Artikel 2.2.4
2. In geval van splitsing van instellingen betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 2de afspraken omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de instellingen die daarover door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gemaakt, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.
Artikel 2.2.5
2. Bij de toepassing van artikel 2.2.1wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage voor exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs in afwijking van artikel 2.2.2en artikel 2.2.3, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep zoals vermeld in het eerste lid van die artikelen, vastgesteld op de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar.
3. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdelen c, e en f, 5, eerste lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdeel a of c, 6, vijfde lid, 7, vijfde lid, onderdelen a tot en met c, en 8, zesde lid, onderdelen a en c, van het Besluit register onderwijsdeelnemers, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
4. Indien toepassing van artikel 2.2.2en artikel 2.2.3met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid.
Artikel 2.2.6
Artikel 2.2.7
Paragraaf 3
Voorbereidend beroepsonderwijs aan agrarische opleidingscentra
Artikel 2.3.1
Artikel 2.3.2
Paragraaf 4
Huisvesting
Artikel 2.4.1
Paragraaf 5
Toevoeging rijksbijdrage in verband met kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
Artikel 2.5.1
Artikel 2.5.2
Artikel 2.5.2a
Artikel 2.5.3
Paragraaf 6
Vermindering rijksbijdrage beroepsonderwijs in verband met normatieve inhouding cursusgelden
Artikel 2.6.1
(Sbbl3 x DC1) + (Sbbl4 x DC2), waarin is:
Sbbl3: Sbbl, bedoeld in de artikelen 2.2.2, tweede lid, en 2.2.3, tweede lid, voor de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding;
DC1: het cursusgeld per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000, voor de entreeopleiding en de basisberoepsopleiding;
Sbbl4: Sbbl, bedoeld in artikel 2.2.3, tweede lid, voor de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding;
DC2: het cursusgeld per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar, bedoeld in artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000, voor de vakopleiding, de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding.
2. Bij de berekening van het in het eerste lid bedoelde bedrag telt het aantal bbl-studenten Sbbl3 en Sbbl4 dat op 1 augustus van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de leeftijd van 18 nog niet heeft bereikt, niet mee.
Paragraaf 6a
Gehandicapte studenten
Artikel 2.6a.1
2. Onze Minister verdeelt het voor een kalenderjaar vastgestelde budget ten behoeve van de gehandicapte studenten over de instellingen naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van de artikelen 2.2.2en 2.2.3berekende rijksbijdragedelen voor die instelling. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Paragraaf 7
Leerlinggebonden financiering
Artikel 2.7.1
Artikel 2.7.2
Artikel 2.7.3
Hoofdstuk 2A
Bekostiging voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Paragraaf 1
Algemene bepalingen
Artikel 2a.1.1
Artikel 2a.1.2
a. opleiding vavo: een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1., eerste lid, onderdeel a, van de wet, die op grond van artikel 2.1.2, eerste lid, van de wet voor bekostiging in aanmerking komt;
b. diploma vavo: diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 juncto artikel 7.4.11, vijfde lid, van de wet.
Artikel 2a.1.3
Paragraaf 2
Exploitatiekosten en huisvestingskosten
Artikel 2a.2.1
[tabel]
Waarbij wordt verstaan onder:
ISW: het aantal vavo-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding vavo en daadwerkelijk die opleiding volgt;
IVW: het aantal vakken van het eindexamen of deeleindexamen dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar bij de desbetreffende instelling is afgesloten met een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering door bij die instelling ingeschreven vavo-studenten;
IDiW: het aantal diploma’s vavo dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar door de examencommissie van de desbetreffende instelling is afgegeven aan bij die instelling ingeschreven vavo-studenten;
LSW: het aantal vavo-studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar is ingeschreven voor een opleiding vavo bij alle instellingen tezamen
LVW: het aantal vakken van het eindexamen of deeleindexamen dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar bij alle instellingen tezamen door vavo-studenten is afgesloten met een eindcijfer 6 of hoger of een daarmee overeenkomende waardering;
LDiW: het aantal diploma’s vavo dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar door de examencommissies van alle instellingen tezamen is afgegeven aan vavo-studenten;
LB: het landelijk beschikbare budget voor het vavo.
De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
2. De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage wordt vermeerderd met het rijksbijdragedeel voor gehandicapte vavo-studenten, zoals dat wordt berekend op grond van artikel 2a.3.1.
3. De op grond van het eerste en tweede lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
Artikel 2a.2.2
2. In geval van splitsing van instellingen betrekt Onze Minister bij de toepassing van paragraaf 2de afspraken omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de instellingen die daarover door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gemaakt, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan Onze Minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.
Artikel 2a.2.3
2. Bij de toepassing van artikel 2a.2.1wordt voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, bij de berekening van de rijksbijdrage, in afwijking van artikel 2a.2.1, eerste lid, de uitkomst van het gedeelte van de formule boven de streep, zoals vermeld in het eerste lid van die artikelen, vastgesteld op de uitkomst van dat deel van de formule van het voorgaande kalenderjaar.
3. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het bekostigingsjaar de gegevens, bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, onderdelen c, e en f, 5, eerste lid, en derde lid, onder c, 6, vierde lid, onderdelen b en c, en 7, vierde lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
4. Indien toepassing van artikel 2a.2.1, met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het tweede lid.
Paragraaf 3
Gehandicapte vavo-studenten
Artikel 2a.3.1
2. Onze minister verdeelt het voor een kalenderjaar vastgestelde budget ten behoeve van gehandicapte vavo-studenten over de instellingen naar rato van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage voor die instelling. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Hoofdstuk 2B
Kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid beroepsonderwijs en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Paragraaf 1
Algemene bepalingen en berekeningswijze
Artikel 2b.1.1
a. instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet of instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet;
b. uitkeringskosten: kosten van werkloosheidsuitkeringen alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, voortvloeiend uit een dienstbetrekking aan een instelling.
Artikel 2b.1.2
2. Onze Minister verdeelt het voor een kalenderjaar vastgestelde budget ten behoeve van uitkeringskosten over de instellingen naar rato van de som van de voor een instelling:
a. op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, en
b. op grond van artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.
3. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Hoofdstuk 3
Uitkering educatie
Paragraaf 1
Algemene bepalingen
Artikel 3.1.1
Artikel 3.1.2
a. CBS: Centraal bureau voor de statistiek;
b. contactgemeente: contactgemeente als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, van de wet;
c. regio educatie: regio als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, van de wet;
d. uitkering educatie: uitkering als bedoeld in artikel 2.3.2, van de wet;
e. volwassen inwoner: persoon van achttien jaar of ouder die als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen.
Paragraaf 2
Uitkering educatie
Artikel 3.2.1
waarbij wordt verstaan onder:
Og: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende gemiddelde percentage inwoners van de gemeente van 15 tot en met 75 jaar met een opleiding op ten hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, vermenigvuldigd met het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
On: de som van de uitkomsten van bovenbedoeld Og voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
Ag: Het door het CBS op verzoek van Onze Minister berekende aantal volwassen inwoners van de gemeente op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.
An: de som van de uitkomsten van bovenbedoeld AG voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
Bg: Het aantal WWB-uitkeringen aan personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
Bn: de som van bovenbedoeld Bg voor alle Nederlandse gemeenten tezamen;
Ib: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld.
2. De uitkomst van de berekening op grond van het eerste lid wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
3. Jaarlijks wordt in januari de voor dat kalenderjaar vastgestelde uitkering educatie betaald aan de contactgemeente.
Artikel 3.2.2
Paragraaf 3
Overige bepalingen
Artikel 3.3.1
2. Indien in een kalenderjaar meer dan de uitkering educatie is besteed aan opleidingen educatie, kan het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente het meer bestede bedrag tot maximaal 25% van de voor dat jaar toegekende uitkering educatie ten laste brengen van de uitkering educatie voor het daaropvolgende kalenderjaar.
3. In afwijking van het eerste lid kan het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente maximaal 50% van de voor het kalenderjaar 2020 toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het kalenderjaar 2021.
4. In afwijking van het eerste lid kan het college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente maximaal 50% van de voor het kalenderjaar 2021 toegekende uitkering educatie reserveren voor opleidingen educatie in het kalenderjaar 2022.
Hoofdstuk 4
Verticale scholengemeenschappen
Paragraaf 1
Voorschriften
Artikel 4.1.1
Artikel 4.1.2
Artikel 4.1.3
Paragraaf 2
Huisvesting
Artikel 4.2.1
2. Artikel 2.2.4is van overeenkomstige toepassing op een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap.
Hoofdstuk 4A
Maatstaven studiesucces beroepsonderwijs
Artikel 4a.1
beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4: basisberoepsopleiding en daarmee beroepsopleiding van het tweede niveau, vakopleiding en daarmee beroepsopleiding van het derde niveau, dan wel middenkader- of specialistenopleiding en daarmee beroepsopleiding van het vierde niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, en derde lid, van de wet;
diploma: getuigschrift dat een beroepsopleiding met goed gevolg is afgesloten als bedoeld in artikel 7.4.6, eerste en tweede lid, van de wet;
extraneus: degene die uitsluitend wordt toegelaten tot examenvoorzieningen als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet;
gediplomeerde: student of extraneus die een diploma heeft behaald bij de instelling voor een beroepsopleiding op niveau 2, 3 of 4;
instellingsverlater: student of extraneus die op 1 oktober was ingeschreven voor een beroepsopleiding bij de instelling en niet op 1 oktober van het daarop volgende jaar;
jaartijdvak: tijdvak van 1 oktober tot en met 30 september van het daarop volgende jaar.
Artikel 4a.2
a. jaarresultaat: het aantal gediplomeerden in een jaartijdvak, afgezet tegen hetzelfde aantal gediplomeerden plus het aantal instellingsverlaters zonder diploma in hetzelfde jaartijdvak;
b. diplomaresultaat: het aantal gediplomeerde instellingsverlaters in een jaartijdvak, afgezet tegen totaal aantal instellingsverlaters in hetzelfde jaartijdvak;
c. startersresultaat: het aantal in een jaartijdvak nieuw ingeschreven studenten dat in dat jaartijdvak het diploma heeft behaald dan wel op 1 oktober van het volgende jaartijdvak nog is ingeschreven bij dezelfde instelling, afgezet tegen het totaal aantal studenten dat in dat jaartijdvak was gestart met de beroepsopleiding.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een entreeopleiding.
Artikel 4a.3
Artikel 4a.4
Hoofdstuk 4B
Gebruik persoonsgebonden nummers
Paragraaf 1
Algemene bepalingen
Artikel 4b.1.1
2. Paragraaf 3is van toepassing op de gegevens van studenten die zijn ingeschreven of ingeschreven zijn geweest voor een beroepsopleiding aan een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wetof een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van de wet.
Paragraaf 2
Gebruik burgerservicenummer personeel door instelling
Artikel 4b.2.1
Artikel 4b.2.2
Artikel 4b.2.3
Artikel 4b.2.4
Paragraaf 3
Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister
Artikel 4b.3.1
Artikel 4b.3.2
Artikel 4b.3.3
Hoofdstuk 5
Informatie
Paragraaf 1
Algemene bepalingen
Artikel 5.1.1
Artikel 5.1.2
Gegevenswoordenboek: de opsomming van een door het bevoegd gezag van een instelling te verzamelen gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1.
Paragraaf 2
Ordening en wijze van beschikbaarstelling gegevens
Artikel 5.2.1
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, die betrekking hebben op de bekostiging, zijn in het desbetreffende gegevenswoordenboek als zodanig aangeduid.
Artikel 5.2.2
2. De beschikbaarstelling geschiedt voor het beroepsonderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs overeenkomstig bijlage 4bij dit besluit.
3. In voorkomende gevallen kan Onze Minister bij het verzoek om beschikbaarstelling reeds bij hem bekende gegevens opnemen.
Artikel 5.2.3
Artikel 5.2.4
2. Het bevoegd gezag van een instelling bewaart de gegevens die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk op zodanige wijze dat daaruit de voor de vaststelling van de geaggregeerde gegevens van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan.
Paragraaf 3
Controleprotocol
Artikel 5.2.5
2. De regels hebben betrekking op de controle op de rechtmatigheid van de verkrijging en de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de rijksbijdrage, en de controle op de bekostigingsgegevens, bedoeld in dit besluit.
3. De administratie van de instelling omvat in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 5.2.1, vierde lid, en de daaraan ten grondslag liggende bescheiden.
Paragraaf 4
Lerarenregister en registervoorportaal
Artikel 5.2.6
Artikel 5.2.7
Artikel 5.2.8
Artikel 5.2.9
Artikel 5.2.10
Hoofdstuk 5A
Personeel
Artikel 5a.1
Artikel 5a.1a
Artikel 5a.2
Artikel 5a.3
Artikel 5a.4
Hoofdstuk 6
Overgangs- en invoeringsbepalingen
Paragraaf 1
Beroepsonderwijs
Artikel 6.1.1
Artikel 6.1.2
Artikel 6.1.3
Artikel 6.1.4
2. Bij de uitvoering van de vergelijking bedoeld in het eerste lid wordt bij de berekening van de rijksbijdrage voor 2015 volgens de berekeningswijze op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen zoals die luidden op 31 juli 2014, uitgegaan van het landelijk beschikbare budget, bedoeld in artikel 2.1.3, eerste lid, voor 2015, verminderd met het voor alle instellingen vastgestelde budget, bedoeld in artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet. De aldus berekende rijksbijdrage van een instelling wordt verhoogd met het bedrag dat voor die instelling op grond van artikel 12.4.1, tweede lid, van de wet is berekend. Dit bedrag wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
3. Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling hoger is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2015 verminderd met 80% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
4. Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2015 aangevuld met 80% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
5. Indien aan een instelling voor het kalenderjaar 2015 een bedrag in mindering wordt gebracht op grond van het derde lid, wordt aan die instelling voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018 60%, 40% respectievelijk 20% van het verschil bedoeld in het derde lid in mindering gebracht. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
6. Indien een instelling voor het kalenderjaar 2015 een aanvulling ontvangt op grond van het vierde lid, ontvangt die instelling voor de kalenderjaren 2016, 2017 en 2018 aanvullingen van 60%, 40% respectievelijk 20% van het verschil bedoeld in het vierde lid. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
7. Indien uit de vergelijking bedoeld in het eerste lid blijkt dat de eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling meer dan 4% lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, kan Onze Minister ter voorkoming van een zodanig financieel nadeel voor die instelling dat de continuïteit van de instelling in gevaar komt, aanvullende bekostiging verstrekken aan die instelling naast de aanvulling bedoeld in het zesde lid.
Artikel 6.1.5
2. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2014 de gegevens bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
3. Indien toepassing van de artikelen 2.2.2, 2.2.3en 6.1.4met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid.
Artikel 6.1.6
2. Indien uit de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling hoger is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2019 verminderd met 75% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
3. Indien uit de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2019 aangevuld met 75% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
4. Indien aan een instelling voor het kalenderjaar 2019 een bedrag in mindering wordt gebracht op grond van het tweede lid, wordt aan die instelling voor de kalenderjaren 2020 en 2021 50% respectievelijk 25% van het verschil, bedoeld in het tweede lid, in mindering gebracht. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
5. Indien een instelling voor het kalenderjaar 2019 een aanvulling ontvangt op grond van het derde lid, ontvangt die instelling voor de kalenderjaren 2020 en 2021 50% respectievelijk 25% van het verschil, bedoeld in het derde lid. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Artikel 6.1.7
2. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2018 de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.
3. Indien toepassing van de artikelen 2.2.2, 2.2.3en 6.1.6met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid.
Artikel 6.1.8
2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Artikel 6.1.9
2. Indien toepassing van artikel 2.2.3met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in artikel 2.2.5, derde lid,leidt tot een lagere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in artikel 2.2.5, derde lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage dan vastgesteld op grond van het eerste lid.
3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2027.
Paragraaf 2
Vavo
Artikel 6.2.1
Artikel 6.2.2
Paragraaf 2a
Kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid beroepsonderwijs en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
Artikel 6.2a.1
Artikel 6.2a.2
a. op grond van artikel 6.1.4 voor het kalenderjaar 2015 respectievelijk 2016 berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, die in geval van een agrarisch opleidingscentrum wordt vermeerderd met de rijksbijdrage zoals berekend op grond van artikel 2.3.2, en
b. op grond van artikel 6.2.1, eerste lid, respectievelijk artikel 6.2.2, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.
2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Artikel 6.2a.3
a. op grond van artikel 6.1.4 voor het kalenderjaar 2017 respectievelijk 2018 berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, die in geval van een agrarisch opleidingscentrum wordt vermeerderd met de rijksbijdrage zoals berekend op grond van artikel 2.3.2, en
b. op grond van de artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.
2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Artikel 6.2a.4
a. op grond van artikel 6.1.6 voor het kalenderjaar 2019, 2020 respectievelijk 2021 berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, die in geval van een agrarisch opleidingscentrum wordt vermeerderd met de rijksbijdrage zoals berekend op grond van artikel 2.3.2, en
b. op grond van artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.
2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.
Paragraaf 3
Verticale scholengemeenschappen
Artikel 6.3.1
2. Een besluit tot de berekening van de bekostiging van een school die van rechtswege is ontstaan na de omzetting op grond van artikel 12.2.4 van de wet, vindt voor het eerst toepassing op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020en artikel 2.6.3 van de wetover het kalenderjaar volgend op die omzetting.
Paragraaf 4
Overgangsrecht uitkering educatie voor de jaren 2016 en 2017
Artikel 6.4.1
{bi : bl} x 2/3 x bm, op te tellen bij een derde van het bedrag volgens de formule in artikel 3.2.1, eerste lid,
waarbij wordt verstaan onder:
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudgetzoals dat luidde op 31 december 2014;
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudgetzoals die luidde op 31 december 2014;
bm: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het kalenderjaar 2016.
2. Voor het kalenderjaar 2017 wordt de uitkering educatie die aan een college van burgemeester en wethouders van een contactgemeente van een regio wordt verstrekt, berekend door de uitkomst van de formule
{bi : bl} x 1/3 x bm op te tellen bij twee derde van het bedrag volgens de formule in artikel 3.2.1, eerste lid,
waarbij wordt verstaan onder:
bi: de som van de bedragen die de gemeenten binnen deze regio voor het jaar 2014 hebben ontvangen op grond van artikel 4 van het Besluit participatiebudgetzoals dat luidde op 31 december 2014;
bl: het landelijk budget educatie in het jaar 2014 ingevolge de Wet participatiebudgetzoals die luidde op 31 december 2014;
bm: het totale bedrag dat door Onze Minister beschikbaar is gesteld voor uitkeringen educatie voor alle regio’s educatie voor het kalenderjaar 2017.
Hoofdstuk 7
Slotbepalingen
Artikel 7.a1
Artikel 7.1
2. De hoofdstukken 2, 3, 4en 6 van dit besluittreden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende hoofdstukken, paragrafen en artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in de hoofdstukken 2en 6, paragraaf 1,dan wel de hoofdstukken 3en 6, paragraaf 2, dan wel de hoofdstukken 4en 6, paragraaf 3, van dit besluit geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. De bepalingen vinden voor het eerst toepassing ten aanzien van de rijksbijdragen voor het jaar 2000.
2. De artikelen 5.2.1, 5.2.2en 5.2.4van dit besluit treden in werking 12 maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat de formulieren ten aanzien van de gegevens inzake uitgereikte diploma's niet eerder van toepassing zijn dan over het kalenderjaar 2001 en de overige formulieren niet eerder dan over het studiejaar 2001–2002.