BWBR0010646
Geldig vanaf 2022-08-01
Artikel 2.1.3
Uitvoeringsbesluit WEB
1. Binnen het raam van de door de begrotingswetgever voor het desbetreffende kalenderjaar beschikbaar gestelde middelen, stelt Onze Minister jaarlijks de omvang vast van het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs.
2. Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in landelijk beschikbare budgetten voor:
a. de entreeopleiding,
b. de basisberoepsopleiding, en
c. de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.
3. Onze Minister berekent ieder kalenderjaar de som van de betalingen die op grond van <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/2.2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.2.3, eerste lid, van de wet</a>, zijn verricht in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober van het betreffende kalenderjaar en de betalingen waarvan vaststaat dat ze nog dat kalenderjaar worden verricht.
4. Voorts berekent Onze Minister ieder kalenderjaar de som van het bedrag dat voor de betalingen, bedoeld in het derde lid, was gereserveerd en het bedrag van de middelen die in dat kalenderjaar in mindering zijn gebracht op de rijksbijdrage op grond van een beschikking als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/2.2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.2.3, tweede lid, tweede volzin, van de wet</a>.
5. Indien de som, bedoeld in het vierde lid hoger is dan de som, bedoeld in het derde lid, wordt het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het betreffende kalenderjaar verhoogd met dat verschil.
2. Het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in landelijk beschikbare budgetten voor:
a. de entreeopleiding,
b. de basisberoepsopleiding, en
c. de vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding.
3. Onze Minister berekent ieder kalenderjaar de som van de betalingen die op grond van <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/2.2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.2.3, eerste lid, van de wet</a>, zijn verricht in de periode van 1 januari tot en met 31 oktober van het betreffende kalenderjaar en de betalingen waarvan vaststaat dat ze nog dat kalenderjaar worden verricht.
4. Voorts berekent Onze Minister ieder kalenderjaar de som van het bedrag dat voor de betalingen, bedoeld in het derde lid, was gereserveerd en het bedrag van de middelen die in dat kalenderjaar in mindering zijn gebracht op de rijksbijdrage op grond van een beschikking als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/2.2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.2.3, tweede lid, tweede volzin, van de wet</a>.
5. Indien de som, bedoeld in het vierde lid hoger is dan de som, bedoeld in het derde lid, wordt het landelijk beschikbare budget voor de exploitatiekosten en huisvestingskosten voor het betreffende kalenderjaar verhoogd met dat verschil.