BWBR0010499
Geldig vanaf 1999-06-18
Artikel 12
privacyreglement Meldpunt Ongebruikelijke Transacties 1999
1. Geregistreerden kunnen de rechten, genoemd in artikel 20 en artikel 22 van de wet, uitoefenen door het desbetreffende verzoek tot verbetering, aanvulling of verwijdering van hun betreffen-de persoonsgegevens schriftelijk te richten aan de registerbeheerder, ten aanzien van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, Postbus 3019, 2700 KL, Zoetermeer.
2. Een verzoek als bedoeld in artikel 20 van de wet is ontvankelijk na ontvangst van de betaling van een kostenvergoeding van fl. 10,- (tien gulden) op rekening (rekeningnummer bank- of giroinstelling) van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties onder vermelding van ’privacy-verzoek artikel 20 Wpolr’. Deze kostenvergoeding wordt teruggegeven wanneer het verzoek leidt tot verbetering, aanvulling of verwijdering van de persoonsgegevens van de betrokkene, of wanneer het verzoek moet worden geweigerd ingevolge artikel 21, eerste lid, van de wet.
3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid kan tevens worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog op de uitoefening van zijn rechten krachtens de wet.
4. De registerbeheerder draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. De behandelend functionaris kan verlangen dat de verzoeker hem bescheiden toont waaruit zijn identiteit blijkt en zonodig de bijzondere machtiging genoemd in het derde lid.
5. Op een verzoek als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet wordt binnen vier weken nadat het verzoek ontvankelijk verklaard is, beslist.
6. Aan een verzoek als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet wordt geen gevolg gegeven, voor zover het de verstrekking van gegevens door of aan een criminele inlichtingendienst betreft of wanneer het belang van een opsporingsonderzoek dan wel een gewichtig belang van een derde, daaronder begrepen degene die een melding als bedoeld in artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transactiesheeft gedaan, daartoe noodzaakt.
7. In geen geval worden mededelingen in antwoord op een verzoek op grond van artikel 20 van de wet in schriftelijke vorm gedaan.
8. Op een verzoek als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet wordt binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk bericht of, en zo ja, in hoeverre de registerbeheerder aan het verzoek voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.
2. Een verzoek als bedoeld in artikel 20 van de wet is ontvankelijk na ontvangst van de betaling van een kostenvergoeding van fl. 10,- (tien gulden) op rekening (rekeningnummer bank- of giroinstelling) van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties onder vermelding van ’privacy-verzoek artikel 20 Wpolr’. Deze kostenvergoeding wordt teruggegeven wanneer het verzoek leidt tot verbetering, aanvulling of verwijdering van de persoonsgegevens van de betrokkene, of wanneer het verzoek moet worden geweigerd ingevolge artikel 21, eerste lid, van de wet.
3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid kan tevens worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog op de uitoefening van zijn rechten krachtens de wet.
4. De registerbeheerder draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. De behandelend functionaris kan verlangen dat de verzoeker hem bescheiden toont waaruit zijn identiteit blijkt en zonodig de bijzondere machtiging genoemd in het derde lid.
5. Op een verzoek als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet wordt binnen vier weken nadat het verzoek ontvankelijk verklaard is, beslist.
6. Aan een verzoek als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet wordt geen gevolg gegeven, voor zover het de verstrekking van gegevens door of aan een criminele inlichtingendienst betreft of wanneer het belang van een opsporingsonderzoek dan wel een gewichtig belang van een derde, daaronder begrepen degene die een melding als bedoeld in artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transactiesheeft gedaan, daartoe noodzaakt.
7. In geen geval worden mededelingen in antwoord op een verzoek op grond van artikel 20 van de wet in schriftelijke vorm gedaan.
8. Op een verzoek als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet wordt binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk bericht of, en zo ja, in hoeverre de registerbeheerder aan het verzoek voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.