BWBR0010465
Geldig vanaf 1999-07-01
Artikel 6
Wet subsidiëring politieke partijen
1. De subsidie bedraagt ten hoogste de som van de volgende bedragen:
a. een basisbedrag van € 169.539per 1 januari 2011: € 191.200 en per kamerzetel van de politieke partij, een bedrag van € 49.175per 1 januari 2011: € 55.457 en per lid van de politieke partij een bedrag dat gelijk is aan € 1.856.360per 1 januari 2011: € 2.093.533 gedeeld door het aantal leden van alle politieke partijen gezamenlijk; en
b. indien de politieke partij op de peildatum een politiek-wetenschappelijk instituut heeft aangeduid, een basisbedrag van € 119.076per 1 januari 2011: € 134.288 en per kamerzetel van de politieke partij een bedrag van € 12.238per 1 januari 2011: € 13.802; en
c. indien de politieke partij op de peildatum een jongerenorganisatie heeft aangeduid, een bedrag per kamerzetel van de politieke partij en een bedrag per lid van de politieke jongerenorganisatie berekend overeenkomstig het tweede lid;
d. indien de politieke partij op de peildatum een instelling voor buitenlandse activiteiten heeft aangeduid, een basisbedrag en een bedrag per kamerzetel van de politieke partij, berekend overeenkomstig het derde lid.
2. Het bedrag per kamerzetel, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt berekend door, uitgaande van de situatie op 1 januari, € 477.322 per 1 januari 2011: € 538.306te delen door het aantal kamerzetels van alle politieke partijen die een politieke jongerenorganisatie hebben aangeduid. Het bedrag per lid van de politieke jongerenorganisatie wordt berekend door € 477.322 per 1 januari 2011: € 538.306te delen door het aantal leden van alle aangeduide politieke jongerenorganisaties op 1 januari.
3. Het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt berekend door, uitgaande van de situatie op 1 januari, € 615 000 te delen door het totale aantal politieke partijen dat een instelling voor buitenlandse activiteiten heeft aangeduid. Het bedrag per kamerzetel, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt berekend door, uitgaande van de situatie op 1 januari, € 885 000 te delen door het aantal kamerzetels van alle politieke partijen die een instelling voor buitenlandse activiteiten hebben aangeduid.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor de vaststelling van het aantal kamerzetels van een politieke partij, het aantal leden van een politieke partij en het aantal leden van een politieke jongerenorganisatie uitgegaan van de peildatum.
5. Indien politieke partijen bij de in artikel 2, eerste lid, bedoelde verkiezingen een samenvoeging van hun geregistreerde aanduidingen of afkortingen daarvan boven de kandidatenlijst hebben geplaatst, gelden in afwijking van het eerste lid, de in dat lid genoemde basisbedragen voor deze partijen gezamenlijk en worden deze bedragen verdeeld naar evenredigheid van hun kamerzetels. Voor de vaststelling van het aantal kamerzetels van de betrokken politieke partijen, wordt uitgegaan van een daartoe strekkende verklaring van de voorzitter van de Tweede Kamer respectievelijk de Eerste Kamer.
6. De verdeling op grond van het vijfde lid van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt slechts voor zover de politieke partijen een politiek-wetenschappelijk instituut hebben aangewezen. De verdeling op grond van het vijfde lid van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt slechts voor zover de politieke partijen een instelling voor buitenlandse activiteiten hebben aangewezen.
7. De bedragen, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, worden jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de voor de rijksbegroting gehanteerde loon- en prijsbijstelling.
a. een basisbedrag van € 169.539per 1 januari 2011: € 191.200 en per kamerzetel van de politieke partij, een bedrag van € 49.175per 1 januari 2011: € 55.457 en per lid van de politieke partij een bedrag dat gelijk is aan € 1.856.360per 1 januari 2011: € 2.093.533 gedeeld door het aantal leden van alle politieke partijen gezamenlijk; en
b. indien de politieke partij op de peildatum een politiek-wetenschappelijk instituut heeft aangeduid, een basisbedrag van € 119.076per 1 januari 2011: € 134.288 en per kamerzetel van de politieke partij een bedrag van € 12.238per 1 januari 2011: € 13.802; en
c. indien de politieke partij op de peildatum een jongerenorganisatie heeft aangeduid, een bedrag per kamerzetel van de politieke partij en een bedrag per lid van de politieke jongerenorganisatie berekend overeenkomstig het tweede lid;
d. indien de politieke partij op de peildatum een instelling voor buitenlandse activiteiten heeft aangeduid, een basisbedrag en een bedrag per kamerzetel van de politieke partij, berekend overeenkomstig het derde lid.
2. Het bedrag per kamerzetel, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt berekend door, uitgaande van de situatie op 1 januari, € 477.322 per 1 januari 2011: € 538.306te delen door het aantal kamerzetels van alle politieke partijen die een politieke jongerenorganisatie hebben aangeduid. Het bedrag per lid van de politieke jongerenorganisatie wordt berekend door € 477.322 per 1 januari 2011: € 538.306te delen door het aantal leden van alle aangeduide politieke jongerenorganisaties op 1 januari.
3. Het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt berekend door, uitgaande van de situatie op 1 januari, € 615 000 te delen door het totale aantal politieke partijen dat een instelling voor buitenlandse activiteiten heeft aangeduid. Het bedrag per kamerzetel, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt berekend door, uitgaande van de situatie op 1 januari, € 885 000 te delen door het aantal kamerzetels van alle politieke partijen die een instelling voor buitenlandse activiteiten hebben aangeduid.
4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt voor de vaststelling van het aantal kamerzetels van een politieke partij, het aantal leden van een politieke partij en het aantal leden van een politieke jongerenorganisatie uitgegaan van de peildatum.
5. Indien politieke partijen bij de in artikel 2, eerste lid, bedoelde verkiezingen een samenvoeging van hun geregistreerde aanduidingen of afkortingen daarvan boven de kandidatenlijst hebben geplaatst, gelden in afwijking van het eerste lid, de in dat lid genoemde basisbedragen voor deze partijen gezamenlijk en worden deze bedragen verdeeld naar evenredigheid van hun kamerzetels. Voor de vaststelling van het aantal kamerzetels van de betrokken politieke partijen, wordt uitgegaan van een daartoe strekkende verklaring van de voorzitter van de Tweede Kamer respectievelijk de Eerste Kamer.
6. De verdeling op grond van het vijfde lid van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onder b, geldt slechts voor zover de politieke partijen een politiek-wetenschappelijk instituut hebben aangewezen. De verdeling op grond van het vijfde lid van het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt slechts voor zover de politieke partijen een instelling voor buitenlandse activiteiten hebben aangewezen.
7. De bedragen, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, worden jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de voor de rijksbegroting gehanteerde loon- en prijsbijstelling.