BWBR0010352
Geldig vanaf 1999-07-24
Artikel 3
Regeling tekeningsbevoegdheid Ministerie van Financiën 1999
1. Aan de minister en de staatssecretaris is in ieder geval voorbehouden de afdoening en ondertekening van stukken bestemd voor:
a. de Koningin;
b. de ministerraad en de daaruit gevormde onderraad of commissie;
c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die kamers gevormde commissies;
d. de Raad en State;
e. de Algemene Rekenkamer.
2. Ten aanzien van de in het eerste lid, onder d genoemde college geldt het in de aanhef van het eerste lid gestelde niet voor zover het gaat om administratiefrechtelijke procedures.
3. In bijzondere gevallen kan voorts voor bepaalde aangelegenheden aan de secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal de bevoegdheid worden verleend de in het eerste lid bedoelde stukken af te doen of te ondertekenen.
a. de Koningin;
b. de ministerraad en de daaruit gevormde onderraad of commissie;
c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die kamers gevormde commissies;
d. de Raad en State;
e. de Algemene Rekenkamer.
2. Ten aanzien van de in het eerste lid, onder d genoemde college geldt het in de aanhef van het eerste lid gestelde niet voor zover het gaat om administratiefrechtelijke procedures.
3. In bijzondere gevallen kan voorts voor bepaalde aangelegenheden aan de secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal de bevoegdheid worden verleend de in het eerste lid bedoelde stukken af te doen of te ondertekenen.