BWBR0010149
Geldig vanaf 1999-01-14
Artikel 4
Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS
1. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder beëindiging van een bedrijf dat voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 2, onder a, verstaan:
a. registratie door het Bureau Heffingen van de kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht, bedoeld in artikel 30 van de wet, indien de aanvrager bij zijn aanvraag tot subsidieverlening heeft verklaard de varkenshouderij niet op een andere tot zijn bedrijf behorende locatie of op een ander hem toebehorend bedrijf te zullen voortzetten, dan wel de registratie door het Bureau Heffingen van de kennisgeving van de overgang van het varkensrecht, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, indien de aanvrager bij zijn aanvraag tot subsidieverlening heeft verklaard de varkenshouderij op een ander hem toebehorend bedrijf te zullen voortzetten;
b. afbraak van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van het bedrijf, voorzover zij in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject liggen of op een onmiddellijk daaraan grenzend erfperceel;
c. overdracht aan BBL van de eigendom van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond voorzover die in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject ligt, met uitzondering van het erfperceel, waarvan de oppervlakte ten hoogste één hectare bedraagt, of beëindiging van de pacht indien de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond eigendom is van Staatsbosbeheer of van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie;
d. intrekking van de milieuvergunning overeenkomstig artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder beëindiging van een bedrijf dat voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 2, onder b, verstaan:
a. registratie van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a;
b. afbraak van de in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject gelegen gebouwen bestemd voor de uitoefening van het bedrijf;
c. afbraak van de niet in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject gelegen gebouwen bestemd voor de uitoefening van het bedrijf, indien de aanvrager bij zijn aanvraag heeft verklaard deze gebouwen te zullen afbreken, danwel het aan hun bestemming onttrekken van de voor de huisvesting van varkens bestemde gebouwen, indien de aanvrager bij zijn aanvraag heeft verklaard deze gebouwen niet te zullen afbreken;
d. overdracht aan BBL van de eigendom van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond voorzover die in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject ligt, of beëindiging van de pacht indien de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond eigendom is van Staatsbosbeheer of van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie;
e. blijkens een aangepaste milieuvergunning blijvende vermindering van de ammoniakdepositie op het voor verzuring gevoelige, in de EHS gelegen gebied tot ten hoogste 300 mol per hectare per jaar, indien het bedrijf op de locatie waarop de aanvraag voor subsidieverlening betrekking heeft wordt voortgezet, onderscheidenlijk intrekking van de milieuvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder d, indien het bedrijf op de desbetreffende locatie niet wordt voortgezet.
a. registratie door het Bureau Heffingen van de kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht, bedoeld in artikel 30 van de wet, indien de aanvrager bij zijn aanvraag tot subsidieverlening heeft verklaard de varkenshouderij niet op een andere tot zijn bedrijf behorende locatie of op een ander hem toebehorend bedrijf te zullen voortzetten, dan wel de registratie door het Bureau Heffingen van de kennisgeving van de overgang van het varkensrecht, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, indien de aanvrager bij zijn aanvraag tot subsidieverlening heeft verklaard de varkenshouderij op een ander hem toebehorend bedrijf te zullen voortzetten;
b. afbraak van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van het bedrijf, voorzover zij in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject liggen of op een onmiddellijk daaraan grenzend erfperceel;
c. overdracht aan BBL van de eigendom van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond voorzover die in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject ligt, met uitzondering van het erfperceel, waarvan de oppervlakte ten hoogste één hectare bedraagt, of beëindiging van de pacht indien de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond eigendom is van Staatsbosbeheer of van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie;
d. intrekking van de milieuvergunning overeenkomstig artikel 8.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
2. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder beëindiging van een bedrijf dat voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 2, onder b, verstaan:
a. registratie van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a;
b. afbraak van de in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject gelegen gebouwen bestemd voor de uitoefening van het bedrijf;
c. afbraak van de niet in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject gelegen gebouwen bestemd voor de uitoefening van het bedrijf, indien de aanvrager bij zijn aanvraag heeft verklaard deze gebouwen te zullen afbreken, danwel het aan hun bestemming onttrekken van de voor de huisvesting van varkens bestemde gebouwen, indien de aanvrager bij zijn aanvraag heeft verklaard deze gebouwen niet te zullen afbreken;
d. overdracht aan BBL van de eigendom van de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond voorzover die in een reservaatsgebied of een natuurontwikkelingsproject ligt, of beëindiging van de pacht indien de tot het bedrijf behorende oppervlakte grond eigendom is van Staatsbosbeheer of van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie;
e. blijkens een aangepaste milieuvergunning blijvende vermindering van de ammoniakdepositie op het voor verzuring gevoelige, in de EHS gelegen gebied tot ten hoogste 300 mol per hectare per jaar, indien het bedrijf op de locatie waarop de aanvraag voor subsidieverlening betrekking heeft wordt voortgezet, onderscheidenlijk intrekking van de milieuvergunning als bedoeld in het eerste lid, onder d, indien het bedrijf op de desbetreffende locatie niet wordt voortgezet.