BWBR0010129
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 3
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999
1. De subsidie wordt verleend indien de gemeente voor de alleenstaande ouder of de alleenstaande ouder zelf met instemming van de gemeente, met een instelling of een natuurlijke persoon die de kinderopvangplaats verzorgt, daartoe een schriftelijke overeenkomst sluit.
2. In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld:
a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan;
b. de instelling of de natuurlijk persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a;
c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten;
d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan;
e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar hele-dagopvang, halve-dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;
f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.
3. Burgemeester en wethouders, of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, dragen er zorg voor dat in de overeenkomst:
a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan 6 weken, en
b. de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is de gemeente te berichten indien van de kinderopvangplaats zonder opgaaf van redenen over een periode langer dan 2 weken feitelijk geen gebruik wordt gemaakt.
4. Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoeken burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, moet worden voortgezet. Zo nodig zeggen burgemeester en wethouders de overeenkomst op.
5. Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de kinder-opvangplaats aanspraak bestaat op een andere subsidie.
2. In de overeenkomst is op duidelijke en overzichtelijke wijze vermeld:
a. de instelling jegens welke of de natuurlijke persoon jegens wie de uitgaven worden gedaan;
b. de instelling of de natuurlijk persoon die de kinderopvang verricht indien deze een andere is dan bedoeld in onderdeel a;
c. naam en geboortedatum van de kinderen voor wie de kinderopvang pleegt te worden genoten;
d. naam en adres van de alleenstaande ouder ten behoeve van wie de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt aangegaan;
e. de periode waarin en het aantal dagen van de week waarop naar hele-dagopvang, halve-dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang onderscheiden, van deze regeling gebruik pleegt te worden gemaakt;
f. het adres waar de kinderopvang pleegt plaats te vinden.
3. Burgemeester en wethouders, of de alleenstaande ouder, bedoeld in het eerste lid, die de overeenkomst aangaat, dragen er zorg voor dat in de overeenkomst:
a. geen langere opzegtermijn wordt opgenomen dan 6 weken, en
b. de instelling of de natuurlijke persoon, bedoeld in onderdeel a of b van het tweede lid, verplicht is de gemeente te berichten indien van de kinderopvangplaats zonder opgaaf van redenen over een periode langer dan 2 weken feitelijk geen gebruik wordt gemaakt.
4. Na de ontvangst van een bericht als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, onderzoeken burgemeester en wethouders of de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, moet worden voortgezet. Zo nodig zeggen burgemeester en wethouders de overeenkomst op.
5. Aan de gemeente wordt geen subsidie verleend voor zover ten aanzien van de kinder-opvangplaats aanspraak bestaat op een andere subsidie.