BWBR0010129
Geldig vanaf 1999-01-01
Artikel 12
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1999
1. Burgemeester en wethouders van een gemeente die ten behoeve van een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998in het jaar 1999 oordelen over de noodzaak van voortzetting van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van die alleenstaande ouder, nemen daarbij in acht dat de minister in ieder geval tot één jaar na de aanvang van de arbeid van de alleenstaande ouder de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, verleent.
2. Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de minister slechts verleend indien burgemeester en wethouders aantonen dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en de eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond van artikel 10juncto artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1994 tot het loon wordt gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslagbedraagt.
3. In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot 6 maanden na afloop van de periode van een jaar, bedoeld in dat lid, indien burgemeester en wethouders beslissen dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998, voor wie de kinderopvang werd bekostigd op grond van genoemde regeling zoals die regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
2. Na het jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, door de minister slechts verleend indien burgemeester en wethouders aantonen dat het door de alleenstaande ouder ontvangen loon inclusief de tot het loon te rekenen vergoedingen en de eventueel daarenboven te verstrekken toeslagen die op grond van artikel 10juncto artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1994 tot het loon wordt gerekend, ten hoogste 130% van het voor hem geldende minimumloon op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslagbedraagt.
3. In afwijking van het tweede lid verleent de minister de subsidie, bedoeld in dat lid, nog tot 6 maanden na afloop van de periode van een jaar, bedoeld in dat lid, indien burgemeester en wethouders beslissen dat het stopzetten van de bekostiging van de kinderopvang ten behoeve van de alleenstaande ouder zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders 1998, voor wie de kinderopvang werd bekostigd op grond van genoemde regeling zoals die regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze regeling.