BWBR0010113
Geldig vanaf 1998-12-24
Artikel 3
Regeling afkoop geldelijke steun woonwagens en standplaatsen
1. Het afkoopbedrag wordt overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgesteld.
2. De som van de contante waarden op 1 januari 1998 van de op of na die datum door de minister op grond van een woonwagenbeschikking ten gunste van de aanvrager verschuldigde bedragen aan geldelijke steun, wordt verminderd met de som van de contante waarden op 1 januari 1998 van de op of na die datum krachtens een woonwagenbeschikking betaalde jaarlijkse bedragen aan geldelijke steun.
3. Indien op grond van een woonwagenbeschikking leningen zijn verstrekt voor het in eigendom verkrijgen van te verhuren woonwagens, wordt het overeenkomstig het tweede lid berekende bedrag verminderd met de som van de bedragen van die leningen, die de aanvrager op 1 januari 1998 aan het Rijk verschuldigd was, vermeerderd met het totaalbedrag aan voor die leningen verschuldigde rente te rekenen vanaf de datum waarop het ten aanzien van de desbetreffende woonwagens vastgestelde exploitatiejaar is verstreken tot 1 januari 1998.
4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden berekende bedrag vermeerderd met de som van de contante waarden op 1 januari 1998 van de op of na die datum door het Rijk ingevorderde bedragen aan rente en aflossing van de desbetreffende leningen.
5. Het overeenkomstig de voorgaande leden berekende bedrag wordt, behoudens in geval dat bedrag negatief is, vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar, te rekenen vanaf 1 januari 1998 tot de datum van betaling van het afkoopbedrag.
6. Voor de berekening van de rente, bedoeld in het vijfde lid, wordt uitgegaan van maanden van 30 dagen en van jaren van 360 dagen.
2. De som van de contante waarden op 1 januari 1998 van de op of na die datum door de minister op grond van een woonwagenbeschikking ten gunste van de aanvrager verschuldigde bedragen aan geldelijke steun, wordt verminderd met de som van de contante waarden op 1 januari 1998 van de op of na die datum krachtens een woonwagenbeschikking betaalde jaarlijkse bedragen aan geldelijke steun.
3. Indien op grond van een woonwagenbeschikking leningen zijn verstrekt voor het in eigendom verkrijgen van te verhuren woonwagens, wordt het overeenkomstig het tweede lid berekende bedrag verminderd met de som van de bedragen van die leningen, die de aanvrager op 1 januari 1998 aan het Rijk verschuldigd was, vermeerderd met het totaalbedrag aan voor die leningen verschuldigde rente te rekenen vanaf de datum waarop het ten aanzien van de desbetreffende woonwagens vastgestelde exploitatiejaar is verstreken tot 1 januari 1998.
4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden berekende bedrag vermeerderd met de som van de contante waarden op 1 januari 1998 van de op of na die datum door het Rijk ingevorderde bedragen aan rente en aflossing van de desbetreffende leningen.
5. Het overeenkomstig de voorgaande leden berekende bedrag wordt, behoudens in geval dat bedrag negatief is, vermeerderd met een rente van 6,75 procent per jaar, te rekenen vanaf 1 januari 1998 tot de datum van betaling van het afkoopbedrag.
6. Voor de berekening van de rente, bedoeld in het vijfde lid, wordt uitgegaan van maanden van 30 dagen en van jaren van 360 dagen.