BWBR0010112
Geldig vanaf 1998-12-23
Artikel 11
Regeling oogstschade 1998
1. De minister kan de beslissing tot verlening van een tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de gedupeerde wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan deze bij het nemen van de beslissing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager zou zijn vastgesteld;
b. indien de beslissing onjuist was en de gedupeerde dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de gedupeerde niet heeft voldaan aan de in artikel 3, onderdeel e tot en met h, genoemde verplichtingen. Artikel 4:49, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de gewijzigde tegemoetkoming meer dan 10% lager zou zijn dan de aanvankelijk toegekende tegemoetkoming en deze aanvankelijke onjuistheid in overwegende mate de gedupeerde valt aan te rekenen, kan de minister besluiten dat geen recht op een tegemoetkoming bestaat.
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan deze bij het nemen van de beslissing redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager zou zijn vastgesteld;
b. indien de beslissing onjuist was en de gedupeerde dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de gedupeerde niet heeft voldaan aan de in artikel 3, onderdeel e tot en met h, genoemde verplichtingen. Artikel 4:49, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de gewijzigde tegemoetkoming meer dan 10% lager zou zijn dan de aanvankelijk toegekende tegemoetkoming en deze aanvankelijke onjuistheid in overwegende mate de gedupeerde valt aan te rekenen, kan de minister besluiten dat geen recht op een tegemoetkoming bestaat.