BWBR0010035
Geldig vanaf 1998-12-15
Artikel 3
Regeling aanvraag en toelating vergunningen op volgorde van binnenkomst of bij wijze van voorrang
1. Een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte die bestemd is voor het aanbieden van openbare telecommunicatienetwerken of openbare telecommunicatiediensten dan wel bestemd is voor commerciële omroep wordt slechts verleend aan de aanvrager die:
a. voldoet aan de navolgende voorwaarden met betrekking tot zijn financiële positie: 1º. de aanvrager verkeert niet in staat van faillissement, noch is een verzoek tot faillietverklaring van de aanvrager ingediend,
2º. de aanvrager is geen surséance van betaling verleend, noch is ten aanzien van de aanvrager surséance van betaling aangevraagd,
3º. er is geen beslag gelegd op een of meer bedrijfsmiddelen van de aanvrager;
1º. de aanvrager verkeert niet in staat van faillissement, noch is een verzoek tot faillietverklaring van de aanvrager ingediend,
2º. de aanvrager is geen surséance van betaling verleend, noch is ten aanzien van de aanvrager surséance van betaling aangevraagd,
3º. er is geen beslag gelegd op een of meer bedrijfsmiddelen van de aanvrager;
b. op grond van de in de aanvraag vermelde gegevens naar het oordeel van de minister naar verwachting kan voldoen aan het met betrekking tot de vergunning bepaalde.
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend als de aanvrager aantoont een redelijk belang te hebben bij de gevraagde vergunning.
a. voldoet aan de navolgende voorwaarden met betrekking tot zijn financiële positie: 1º. de aanvrager verkeert niet in staat van faillissement, noch is een verzoek tot faillietverklaring van de aanvrager ingediend,
2º. de aanvrager is geen surséance van betaling verleend, noch is ten aanzien van de aanvrager surséance van betaling aangevraagd,
3º. er is geen beslag gelegd op een of meer bedrijfsmiddelen van de aanvrager;
1º. de aanvrager verkeert niet in staat van faillissement, noch is een verzoek tot faillietverklaring van de aanvrager ingediend,
2º. de aanvrager is geen surséance van betaling verleend, noch is ten aanzien van de aanvrager surséance van betaling aangevraagd,
3º. er is geen beslag gelegd op een of meer bedrijfsmiddelen van de aanvrager;
b. op grond van de in de aanvraag vermelde gegevens naar het oordeel van de minister naar verwachting kan voldoen aan het met betrekking tot de vergunning bepaalde.
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend als de aanvrager aantoont een redelijk belang te hebben bij de gevraagde vergunning.