BWBR0009839
Geldig vanaf 1998-08-14
Artikel 6a
Regeling in- en uitvoercontroles diervoeders
1. Het hoofd van een bedrijf verstrekt aan de ambtenaar van de VWA en de secretaris van het Productschap Diervoeder onverwijld inlichtingen over een partij producten die door het bedrijf uit een derde land is ingevoerd of in het vrije verkeer is gebracht, die voorhanden of in voorraad is op het bedrijf dan wel waarvan het bedrijf eigenaar is, en ten aanzien waarvan hij over gegevens beschikt waaruit kan worden geconcludeerd dat:
a. de producten een gehalte aan ongewenste stoffen bevatten dat het maximaal toegestane gehalte aan ongewenste stoffen, vastgesteld in bijlage I bij richtlijn nr. 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (PbEG L 140), overschrijdt, of
b. de producten niet voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de andere communautaire voorschriften bedoeld in artikel 2, derde lid, of de Verordening PDV diervoeders 2003 van het Productschap Diervoeder voorzover deze strekt tot implementatie van die voorschriften, en de producten dientengevolge een ernstig risico opleveren voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
2. Aan de ambtenaar van de VWA en de secretaris van het Productschap Diervoeder worden onverwijld inlichtingen verstrekt over producten die een ernstig risico kunnen opleveren voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu door:
a. het hoofd van een laboratorium waar monsters van producten voor bedrijven worden geanalyseerd, indien uit een analyse het bestaan van het risico kan worden geconcludeerd;
b. de beroepsbeoefenaar die in het kader van zelfcontrole door veehouderijen toezicht houdt op veehouderijen, indien uit een controle het bestaan van het risico kan worden geconcludeerd.
3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bevatten ten minste:
a. gegevens die een nauwkeurige identificatie van de betrokken producten mogelijk maken;
b. een zo volledig mogelijke beschrijving van het risico dat de betrokken producten opleveren;
c. gegevens die kunnen worden gebruikt om het product op te sporen;
d. omschrijvingen van de ondernomen acties om de risico's voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu te beperken.
4. Inlichtingen als bedoeld in het eerste of tweede lid die op een andere wijze worden verstrekt dan door toezending van een schriftelijke en ondertekende verklaring, worden onverwijld bevestigd door middel van een schriftelijke en ondertekende verklaring.
a. de producten een gehalte aan ongewenste stoffen bevatten dat het maximaal toegestane gehalte aan ongewenste stoffen, vastgesteld in bijlage I bij richtlijn nr. 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (PbEG L 140), overschrijdt, of
b. de producten niet voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de andere communautaire voorschriften bedoeld in artikel 2, derde lid, of de Verordening PDV diervoeders 2003 van het Productschap Diervoeder voorzover deze strekt tot implementatie van die voorschriften, en de producten dientengevolge een ernstig risico opleveren voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu.
2. Aan de ambtenaar van de VWA en de secretaris van het Productschap Diervoeder worden onverwijld inlichtingen verstrekt over producten die een ernstig risico kunnen opleveren voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu door:
a. het hoofd van een laboratorium waar monsters van producten voor bedrijven worden geanalyseerd, indien uit een analyse het bestaan van het risico kan worden geconcludeerd;
b. de beroepsbeoefenaar die in het kader van zelfcontrole door veehouderijen toezicht houdt op veehouderijen, indien uit een controle het bestaan van het risico kan worden geconcludeerd.
3. De inlichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bevatten ten minste:
a. gegevens die een nauwkeurige identificatie van de betrokken producten mogelijk maken;
b. een zo volledig mogelijke beschrijving van het risico dat de betrokken producten opleveren;
c. gegevens die kunnen worden gebruikt om het product op te sporen;
d. omschrijvingen van de ondernomen acties om de risico's voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu te beperken.
4. Inlichtingen als bedoeld in het eerste of tweede lid die op een andere wijze worden verstrekt dan door toezending van een schriftelijke en ondertekende verklaring, worden onverwijld bevestigd door middel van een schriftelijke en ondertekende verklaring.