BWBR0009819
Geldig vanaf 1998-09-01
Artikel 7
Regeling voorloperbedrijven varkenshouderij
1. Een bedrijf als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder d, van de wetbeschikte gedurende de gehele referentieperiode over een groen-labelstal blijkens:
a. de voor de desbetreffende stal gedurende de referentieperiode geldende milieuvergunning, in samenhang met vóór 10 juli 1997 overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer met betrekking tot die stal gedane meldingen, of
b. de met betrekking tot de desbetreffende stal vóór 10 juli 1997 overeenkomstig artikel 4 van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of artikel 3 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer gedane melding of meldingen, ingeval gedurende de referentieperiode een van deze besluiten op het bedrijf van toepassing was.
2. Voor de toepassing van artikel 24, tweede lid, derde gedachtestreepje, van de wet wordt het aantal varkens dat in een groen-labelstal kan worden gehuisvest bepaald aan de hand van de voor de desbetreffende stal afgegeven milieuvergunning, in samenhang met de vóór 10 juli 1997 overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheermet betrekking tot die stal gedane meldingen, dan wel aan de hand van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheerof het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheerin samenhang met de met betrekking tot die stal gedane meldingen overeenkomstig artikel 4, onderscheidenlijk 3 van deze besluiten.
3. Voor de toepassing van het tweede lid:
a. wordt een overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer met het oog op een uitbreiding van het aantal te houden varkens gedane melding slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking heeft op een verandering van de inrichting die overeenkomstig de op het tijdstip van de melding voor de inrichting geldende milieuvergunning kon leiden tot een uitbreiding van het aantal varkens;
b. worden in de milieuvergunning of in de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde: fokzeugen, kraamzeugen, guste en dragende zeugen aangemerkt als fokzeugen als bedoeld in bijlage A, onderdeel 1, onder b, bij de wet, vleesvarkens aangemerkt als vleesvarkens als bedoeld in bijlage A, onderdeel 7, bij de wet, en biggen, al dan niet gespeend, buiten beschouwing gelaten, tenzij een groen-labelstal blijkens de daarvoor afgegeven milieuvergunning, onderscheidenlijk de daarop betrekking hebbende meldingen, uitsluitend bestemd is voor de huisvesting van biggen, in welk geval de genoemde biggen worden aangemerkt als biggen als bedoeld in bijlage A, onderdeel 5, van de wet.
a. de voor de desbetreffende stal gedurende de referentieperiode geldende milieuvergunning, in samenhang met vóór 10 juli 1997 overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer met betrekking tot die stal gedane meldingen, of
b. de met betrekking tot de desbetreffende stal vóór 10 juli 1997 overeenkomstig artikel 4 van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of artikel 3 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer gedane melding of meldingen, ingeval gedurende de referentieperiode een van deze besluiten op het bedrijf van toepassing was.
2. Voor de toepassing van artikel 24, tweede lid, derde gedachtestreepje, van de wet wordt het aantal varkens dat in een groen-labelstal kan worden gehuisvest bepaald aan de hand van de voor de desbetreffende stal afgegeven milieuvergunning, in samenhang met de vóór 10 juli 1997 overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheermet betrekking tot die stal gedane meldingen, dan wel aan de hand van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheerof het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheerin samenhang met de met betrekking tot die stal gedane meldingen overeenkomstig artikel 4, onderscheidenlijk 3 van deze besluiten.
3. Voor de toepassing van het tweede lid:
a. wordt een overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer met het oog op een uitbreiding van het aantal te houden varkens gedane melding slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking heeft op een verandering van de inrichting die overeenkomstig de op het tijdstip van de melding voor de inrichting geldende milieuvergunning kon leiden tot een uitbreiding van het aantal varkens;
b. worden in de milieuvergunning of in de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde: fokzeugen, kraamzeugen, guste en dragende zeugen aangemerkt als fokzeugen als bedoeld in bijlage A, onderdeel 1, onder b, bij de wet, vleesvarkens aangemerkt als vleesvarkens als bedoeld in bijlage A, onderdeel 7, bij de wet, en biggen, al dan niet gespeend, buiten beschouwing gelaten, tenzij een groen-labelstal blijkens de daarvoor afgegeven milieuvergunning, onderscheidenlijk de daarop betrekking hebbende meldingen, uitsluitend bestemd is voor de huisvesting van biggen, in welk geval de genoemde biggen worden aangemerkt als biggen als bedoeld in bijlage A, onderdeel 5, van de wet.