BWBR0009670
Geldig vanaf 12-09-2001
Artikel 8
Besluit subsidies CO2-reductieplan
1. Onze Minister wint omtrent een aanvraag het advies in van de Adviescommissie CO2-reductieplan.
2. De adviescommissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien zij het aannemelijk acht, dat de voorzieningen ook zonder subsidie rendabel kunnen worden geëxploiteerd;
c. indien zij het onaannemelijk acht, dat binnen een jaar na de datum van subsidieverlening een aanvang zal worden gemaakt met de uitvoering van het CO2-reductieproject;
d. indien zij het onaannemelijk acht, dat de voorzieningen binnen acht jaren na de datum van subsidieverlening kunnen worden geïnstalleerd en in gebruik genomen;
e. indien zij onvoldoende vertrouwen heeft in de technische haalbaarheid van het CO2-reductieproject;
f. indien zij onvoldoende vertrouwen heeft in de mogelijkheid van exploitatie na voltooiing van het CO2-reductieproject;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben het CO2-reductieproject naar behoren uit te voeren;
h. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het CO2-reductieproject niet kunnen financieren.
3. De adviescommissie rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een CO2-reductieproject hoger gerangschikt wordt naarmate de kosteneffectiviteit van het project beter is.
2. De adviescommissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien zij het aannemelijk acht, dat de voorzieningen ook zonder subsidie rendabel kunnen worden geëxploiteerd;
c. indien zij het onaannemelijk acht, dat binnen een jaar na de datum van subsidieverlening een aanvang zal worden gemaakt met de uitvoering van het CO2-reductieproject;
d. indien zij het onaannemelijk acht, dat de voorzieningen binnen acht jaren na de datum van subsidieverlening kunnen worden geïnstalleerd en in gebruik genomen;
e. indien zij onvoldoende vertrouwen heeft in de technische haalbaarheid van het CO2-reductieproject;
f. indien zij onvoldoende vertrouwen heeft in de mogelijkheid van exploitatie na voltooiing van het CO2-reductieproject;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben het CO2-reductieproject naar behoren uit te voeren;
h. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het CO2-reductieproject niet kunnen financieren.
3. De adviescommissie rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een CO2-reductieproject hoger gerangschikt wordt naarmate de kosteneffectiviteit van het project beter is.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0009670
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl