BWBR0009546
Geldig vanaf 1998-04-18
Artikel 5
Gecombineerd goederenvervoer 1998
1. De Minister beslist op de aanvraag binnen zes weken na ontvangst.
2. De aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtin de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende gegevens zijn ontvangen geldt als datum van ontvangst.
3. Indien meer aanvragen op dezelfde dag zijn ontvangen die betrekking hebben op een totaalbedrag dat aan subsidie toegekend zou kunnen worden dat hoger is dan het resterende gedeelte van het subsidieplafond, dan wordt het resterende gedeelte naar evenredigheid over deze aanvragen verdeeld.
4. Behalve de in de Algemene wet bestuursrechtgeregelde gevallen wordt de aanvraag ook afgewezen:
a. indien hij niet binnen de in artikel 4, eerste lid, genoemde periode bij Senter is ingediend;
b. voorzover de aanvraag geen betrekking heeft op de aanschaf van materieel als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
c. voor het gedeelte waarmee het in artikel 2, vierde lid, genoemde maximum wordt overschreden;
d. indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat het materieel waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voor het overgrote deel voor het gecombineerd goederenvervoer gebruikt zal worden.
2. De aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtin de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende gegevens zijn ontvangen geldt als datum van ontvangst.
3. Indien meer aanvragen op dezelfde dag zijn ontvangen die betrekking hebben op een totaalbedrag dat aan subsidie toegekend zou kunnen worden dat hoger is dan het resterende gedeelte van het subsidieplafond, dan wordt het resterende gedeelte naar evenredigheid over deze aanvragen verdeeld.
4. Behalve de in de Algemene wet bestuursrechtgeregelde gevallen wordt de aanvraag ook afgewezen:
a. indien hij niet binnen de in artikel 4, eerste lid, genoemde periode bij Senter is ingediend;
b. voorzover de aanvraag geen betrekking heeft op de aanschaf van materieel als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
c. voor het gedeelte waarmee het in artikel 2, vierde lid, genoemde maximum wordt overschreden;
d. indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat het materieel waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voor het overgrote deel voor het gecombineerd goederenvervoer gebruikt zal worden.