BWBR0009529
Geldig vanaf 1998-04-05
Artikel 3
Regeling natuurbraaksubsidie
1. Een producent kan ten behoeve van tot zijn bedrijf behorende percelen in aanmerking komen voor een subsidie indien:
a. hij hiervoor tijdig een aanvraag tot subsidieverlening op grond van deze regeling indient;
b. hij hiervoor tijdig een aanvraag oppervlakten indient;
c. hij deze, behoudens overmacht, uiterlijk op 15 mei inzaait met een natuurbraakmengsel;
d. voldaan is aan de verordening en paragraaf 10 van de akkerbouwregeling;
e. de percelen niet zwart worden gehouden als gevolg van bewerkingen van de grond;
f. de vegetatie op de desbetreffende percelen niet vóór 15 juli van het betrokken kalenderjaar wordt gemaaid;
g. de vegetatie op de desbetreffende percelen niet vóór 1 oktober van het betrokken kalenderjaar door enigerlei vorm van bewerking wordt vernietigd;
h. op de percelen gedurende de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september van het betrokken kalenderjaar geen dierlijke of overige organische meststoffen dan wel kunstmest worden gebruikt;
i. op de percelen gedurende de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september van het betrokken kalenderjaar geen fytofarmaceutische producten, herbiciden daaronder begrepen, worden gebruikt.
2. In afwijking van het eerste lid, onder c, en met inachtneming van de overige onderdelen van het eerste lid, komen de percelen die ten minste voor het tweede achtereenvolgende verkoopseizoen uit productie zijn genomen voor subsidie in aanmerking, indien hierop ten minste sedert 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag voor subsidieverlening wordt ingediend, een vegetatie aanwezig is en indien:
a. deze in ten minste twee etappes worden gemaaid waarbij een periode van minimaal drie weken gelegen is tussen de opeenvolgende maaibeurten;
b. bij het maaien het insluiten van dieren wordt voorkomen en vogelnesten worden ontzien;
c. bij het maaien een stoppellengte van ten minste 10 cm wordt aangehouden.
3. Indien percelen, bedoeld in het eerste lid, worden gemaaid, is het bepaalde in het tweede lid, onder a, b en c, van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking van het eerste lid, onder i, is het gebruik van herbiciden in de bedoelde periode toegestaan om de vanuit landbouwkundig oogpunt onacceptabele ontwikkeling van onkruiden tegen te gaan, mits het gebruik wordt beperkt tot die plekken waar zich deze ontwikkeling van onkruiden voordoet.
a. hij hiervoor tijdig een aanvraag tot subsidieverlening op grond van deze regeling indient;
b. hij hiervoor tijdig een aanvraag oppervlakten indient;
c. hij deze, behoudens overmacht, uiterlijk op 15 mei inzaait met een natuurbraakmengsel;
d. voldaan is aan de verordening en paragraaf 10 van de akkerbouwregeling;
e. de percelen niet zwart worden gehouden als gevolg van bewerkingen van de grond;
f. de vegetatie op de desbetreffende percelen niet vóór 15 juli van het betrokken kalenderjaar wordt gemaaid;
g. de vegetatie op de desbetreffende percelen niet vóór 1 oktober van het betrokken kalenderjaar door enigerlei vorm van bewerking wordt vernietigd;
h. op de percelen gedurende de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september van het betrokken kalenderjaar geen dierlijke of overige organische meststoffen dan wel kunstmest worden gebruikt;
i. op de percelen gedurende de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september van het betrokken kalenderjaar geen fytofarmaceutische producten, herbiciden daaronder begrepen, worden gebruikt.
2. In afwijking van het eerste lid, onder c, en met inachtneming van de overige onderdelen van het eerste lid, komen de percelen die ten minste voor het tweede achtereenvolgende verkoopseizoen uit productie zijn genomen voor subsidie in aanmerking, indien hierop ten minste sedert 1 september voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de aanvraag voor subsidieverlening wordt ingediend, een vegetatie aanwezig is en indien:
a. deze in ten minste twee etappes worden gemaaid waarbij een periode van minimaal drie weken gelegen is tussen de opeenvolgende maaibeurten;
b. bij het maaien het insluiten van dieren wordt voorkomen en vogelnesten worden ontzien;
c. bij het maaien een stoppellengte van ten minste 10 cm wordt aangehouden.
3. Indien percelen, bedoeld in het eerste lid, worden gemaaid, is het bepaalde in het tweede lid, onder a, b en c, van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking van het eerste lid, onder i, is het gebruik van herbiciden in de bedoelde periode toegestaan om de vanuit landbouwkundig oogpunt onacceptabele ontwikkeling van onkruiden tegen te gaan, mits het gebruik wordt beperkt tot die plekken waar zich deze ontwikkeling van onkruiden voordoet.