BWBR0009508
Geldig vanaf 2022-12-07
Artikel 17
Bankwet 1998
1. De artikelen 2:363, zesde lid, 2:380, 2:383, tweede lid, tweede zin, met uitzondering van de openstaande bedragen, alsmede de afdelingen 3en 4 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekzijn niet van toepassing op de Bank. De Bank mag, mede ter bepaling van het resultaat, de waardering van de beleggingen, effecten en valuta doen berusten op grondslagen die afwijken van het bepaalde in artikel 2:384, eerste lid, tweede zin, of tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek, voorzover dit in overeenstemming is met hetgeen in afdeling 14 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekdaaromtrent is bepaald.
2. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekwijkt de Bank bovendien af, voorzover die afwijking naar het oordeel van de raad van commissarissen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 2bedoelde doelstellingen.
3. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekwijkt de Bank bovendien af voor zover die afwijking noodzakelijk is om uitvoering te kunnen geven aan instructies, als bedoeld in artikel 3, derde lid. De Bank stelt de raad van commissarissen onverwijld van de afwijking in kennis.
2. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekwijkt de Bank bovendien af, voorzover die afwijking naar het oordeel van de raad van commissarissen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 2bedoelde doelstellingen.
3. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekwijkt de Bank bovendien af voor zover die afwijking noodzakelijk is om uitvoering te kunnen geven aan instructies, als bedoeld in artikel 3, derde lid. De Bank stelt de raad van commissarissen onverwijld van de afwijking in kennis.