BWBR0009479
Geldig vanaf 1998-04-24
Artikel 3
Besluit gebruik eigen zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen
1. De houder van het kwekersrecht kan van een teler een redelijke vergoeding vorderen voor het in artikel 2bedoelde gebruik.
2. Er is sprake van een redelijke vergoeding indien de vergoeding aanmerkelijk lager is dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren van teeltmateriaal van het ras.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op een teler die als een kleine landbouwer, als bedoeld in artikel 14, derde lid, derde liggende streepje, van verordening (EG) nr. 2100/94van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227) dient te worden beschouwd.
2. Er is sprake van een redelijke vergoeding indien de vergoeding aanmerkelijk lager is dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren van teeltmateriaal van het ras.
3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op een teler die als een kleine landbouwer, als bedoeld in artikel 14, derde lid, derde liggende streepje, van verordening (EG) nr. 2100/94van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG L 227) dient te worden beschouwd.