BWBR0009471
Geldig vanaf 10-04-1998
Artikel 4
Regeling permanente eisen bussen
1. Indien op de omschrijvingskaart een noodraam is aangegeven, moet een noodhamertje op een zichtbare plaats bij het noodraam zijn aangebracht.
2. a. Het in het eerste lid genoemde noodhamertje moet zijn voorzien van een signalering die de chauffeur waarschuwt in geval van verwijdering van het noodhamertje.
b. Indien aan het noodhamertje een kabel is verbonden, moet deze een zodanige lengte hebben dat met het noodhamertje het midden van het noodraam kan worden bereikt.
3. De nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend.
2. a. Het in het eerste lid genoemde noodhamertje moet zijn voorzien van een signalering die de chauffeur waarschuwt in geval van verwijdering van het noodhamertje.
b. Indien aan het noodhamertje een kabel is verbonden, moet deze een zodanige lengte hebben dat met het noodhamertje het midden van het noodraam kan worden bereikt.
3. De nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0009471
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl