1. De in deze regeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, stilstaand en in bedrijfsklare toestand.
2. Bij controle van artikel 1, eerste lid, wordt de wijze van keuren toegepast behorende bij de
Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen.
3. Bij controle van artikel 2moeten de deuren aan de binnen- en buitenzijde worden geopend.
4. Bij controle van artikel 3moet worden beproefd of de deur kan worden geopend zonder dat de bediening ervan is vrijgegeven.
5. Bij controle van artikel 4, tweede lid, onderdeel a, moet het noodhamertje uit de inklemming worden verwijderd en weer aangebracht.
6. Bij controle van artikel 4, tweede lid, onderdeel b, moet het noodhamertje uit de inklemming worden verwijderd en moet worden gecontroleerd of het midden van de ruit kan worden bereikt waarna het noodhamertje weer moet worden aangebracht.
7. Bij controle van artikel 4, derde lid, moet de nooduitgang aan de binnen- en buitenzijde worden geopend en gesloten.
8. Bij controle van artikel 8moeten de lichtschakelaars worden bediend. Er behoeft geen controle van opschriften op het dak plaats te vinden.
9. Bij controle van artikel 9, eerste lid, wordt de zekering van een willekeurige verbruiker verwijderd om te bezien of deze gezekerd is. Bij constatering van gebreken worden alle verbruikers hierop gecontroleerd.
10. Bij controle van artikel 11moet de verstelbaarheid en vastzetmogelijkheid van de voorziening worden beproefd.
11. Bij controle van artikel 12moet de communicatievoorziening in werking worden gesteld.
12. Bij controle van artikel 14, eerste lid, moet de lift in werking worden gesteld.
13. Bij controle van artikel 15, derde lid, moet de vastzetinrichting op het desbetreffende bevestigingspunt worden aangebracht.
14. Bij controle van artikel 15, vierde lid, moet de vergrendelinrichting worden bediend.
15. Bij controle van artikel 15, vijfde lid, moet de autogordel in de sluiting worden gebracht.